Posts Tagged ‘verhaal’
Gele komkommers

“Niets is meer wat het was”, zei ze en daarmee bracht ze hem terug naar zijn kindertijd. Hij herinnerde zich nog zo goed dat zinnetje dat zijn moeder hem toen zij. “Niets is meer was het was”. Het klonk raadselachtig en mysterieus. Zelfs een beetje wijs. En tegelijkertijd enigszins onbegrijpelijk. Een intrigerende zin. En hij moest denken aan die banaan.
De radio speelde Toni Corsari’s “Waarom zijn de bananen krom?” Een oud volksdeuntje, gebaseerd op een kinderraadseltje waar nooit een antwoord op kwam. Het leek alsof niemand wist waarom de bananen krom waren. De wetenschap wist nochtans dat het iets met de zon te maken had. Maar een kind van elf had die wetenschap nog niet. Toen het liedje dus weerklonk door het klein transistortje, keek hij onwillekeurig naar de fruitmand op de tafel. Daar lagen twee bananen, goed rijp. Geen van beide was krom, het steeltje weliswaar buiten beschouwing gelaten. Hij keek zijn moeder aan en met de eerlijkheid die enkel uit de mond van een elfjarig kind kon komen zei hij: “De bananen zijn niet krom.” Zijn moeder keek hem aan. Ze keek naar de bananen en moest vaststellen dat hij gelijk had. Kinderen hebben vaak gelijk. Zeker als het over bananen gaat.
“Je hebt gelijk”, zei ze, waarna ze vervolgde met de gevleugelde woorden, “niets is meer wat het was”.
“Die banen lijken meer op komkommers, gele komkommers” vertelde ze. En dat komt omdat die bananen niet gerijpt zijn in de zon, maar in de buik van een boot die ze naar hier heeft gebracht.
“Als bananen op komkommers gaan lijken, pas dan goed op” zei ze nog. “Dat is een teken dat men de boel aan het forceren is.” Waarna ze vond dat ze meer dan voldoende filosofische praat had verteld dan goed was voor het geluk van haar elfjarig zoontje.
Ik ben de boel dus aan het forceren, dacht hij. Zijn collega had hem immers geconfronteerd met het feit dat wat hij deed niet meer overeenkwam met wat ooit de bedoeling van zijn job was. Ooit was hij de bezieler van zijn departement. Zorgde hij voor inspirerende oneliners, kon hij zijn team motiveren. Nu had zijn jarenlange ervaring hem geleerd dat veel idealen vooral idealen waren, maar geen realiteit. Zijn retoriek was hol geworden en zijn team liep er wat onverschillig bij. Maar hij trachtte de boel te forceren door zijn speeches als een soort nieuwsheadlines aan te kondigen. Vandaag dit hoofdpunt, morgen een ander.
Maar gelukkig was er dan toch die ene collega. En zij herhaalde wat zijn moeder ooit zei.
“Je hebt gelijk”, zei hij, “ik moet ophouden met gele komkommer te spelen.”
Onbegrijpend keek ze hem na, maar toch met een gevoel dat hij opnieuw gelanceerd was. Ze glimlachte, zich een gele komkommer voorstellend.
Fluo

Ik reed op de R4 – dat is de ring rond Gent die niet als ring aanvoelt. De lus is immers groot en kronkelig, de afritten onvoorspelbaar ver of te dichtbij. In de buurt van één van de afritten staat een auto met richtingaanwijzer aan (en uit) op de parkeerstrook die meer weg heeft van een pechstrook. België is immers het land waar men grote lange wegen heeft met vier rijvakken, die toch geen snelweg zijn want onverwacht verschijnen straten en verkeerslichten. Je mag dan, volgens het verkeersreglement, zonder probleem parkeren langs dergelijke net-niet-snelweg.
Ter hoogte van de wagen zie ik vanuit de verte twee personen op de middenberm. Ik zie ze omdat ze die verplichte fluo hesjes dragen. Ik weet niet waarom hiervoor het woord hesje moest bedacht worden. Ik denk dat het gaat om twee technici die iets aan het herstellen zijn voor het verkeerslicht enkele meters verderop. Of landmeters. Je komt deze ook zo vaak tegen langs onze wegen.
Als ik ter hoogte van de twee hesjes kom, constateer ik dat het om twee ouders gaat. Een man en een vrouw. Ze wieden de ruimte rond het herdenkingskruis van een verkeersslachtoffer. Ze leggen verse bloemen. Ik had dit nog nooit gezien. De kruisjes en platen zien we allemaal maar al te vaak langs de weg. Nooit eerder dacht ik na over wie dit gaat. Het menselijk leed wordt me vanop de eerste rij getoond. Het treft mij recht in het gezicht.
Ik vervolg mijn weg en werk mijn dag af. ’s Avonds, in de zetel, zie ik dat beeld van deze twee mensen, hun leed in fluo gehuld, opnieuw voor me. Het laat me niet los. Ik moet hier iets mee. Ik moet dit opschrijven. Dit is belangrijk. Maar waarom? Ik schrijf vaak over wat ik zie, probeer er dan inzichten uit te halen en deze met de lezer te delen. Nu is er de schroom om dit beeld aan te wenden om een boodschap te verkondigen. Dit beeld is te fragiel, te persoonlijk om zomaar te gebruiken. Dus zoek ik geen inzicht, geen les en geen moraal. Maar schrijf ik het wel op. Gewoon om te tonen dat ik het gezien heb en dat het me trof. Gewoon om deze mensen zichtbaar te maken voor mijn lezers. Dat lijkt me zinvol.
Boten en tonnen

Het regende boten en tonnen(*). En dat deed het al enkele dagen. En toch lachte hij breeduit. De bezoeker voelde zich meteen welkom. Ook al was het weer grauw en de gebouwen eerder saai dan inspirerend. Lange rechte gangen met grote ramen die inkijk gaven in de kantoren. Ze liepen doorheen de assemblagehal waar half-afgewerkte producten hoog in de lucht van lijn naar lijn zweefden. Alles keurig en bijzonder efficiënt. Een toonbeeld van een moderne fabriek die veel aandacht had voor productiviteit. En toch lachte hij breeduit. Het leek een contradictie. Je zou denken dat een bedrijf dat zich zo afgemeten inricht, waar geen bloempot verkeerd staat, elke vorm van menselijkheid buiten de poorten van het fabrieksterrein zou houden. Maar niets bleek minder waar. Waar hij ook met de lachende bedrijfsgids kwam, steeds werd hij, weliswaar vooral keurig, maar met aandacht begroet en, het viel op, steeds werd ook de gids door zijn collega’s hartelijk begroet. Geen gebrom van: weer één die komt storen. Het was de vraag die zich langzaam vormde in zijn hoofd als journalist voor een gerenommeerde zakenkrant: hoe komt het dat men hier zo vriendelijk is in een bedrijf dat met militaire discipline lijkt te zijn georganiseerd? Niet dat militairen niet vriendelijk kunnen zijn, maar toch.
Het antwoord liet niet lang op zich wachten. In de grote vergaderzaal, die van de directie, stond de directeur hem op te wachten. Opnieuw keurig, in het klassieke donkere pak waar zowat 90% van de managementbevolking zich in hult. Hij leerde dat het bedrijf slechts één prioriteit had: kwaliteit. Nu is dit weerom niet de meest inspirerende prioriteit waar je het van binnen warm van krijgt. We werden ondertussen allemaal aan kwaliteitsprocessen onderworpen en zelden waren ze motiverend. Maar kwaliteit was hier meer dan een managementbedenksel. Kwaliteit was hier als het ware een religie. Al 112 jaar liepen hier producten van zeer hoge kwaliteit van de band. En kwaliteit werd nooit gecompromitteerd. Steeds stond kwaliteit voorop en moest al het andere, van technische snufjes, trendy vormen, snelheid van productie of onderhandelde schapruimte in de winkel, wijken voor dat ene kenmerk. Elke dag werd over kwaliteit gepraat en elke dag werd kwaliteit gecontroleerd. De kwaliteitsmantra.
En dat was zo inspirerend. Die vastgehouden aandacht voor kwaliteit. Die aandacht, daar ging het om. Slechts één prioriteit, één focus, één boodschap. Geen drie, vier of godbetert 10 kernwaarden waar een beetje onderneming zich gedurende een jaartje beweert voor te willen inzetten. Eén volgehouden waarde. Deze werd niet alleen meegedeeld, maar beleefd door alle geledingen van het bedrijf. Over een periode van 112 jaar had die focus het bedrijf en al haar producten een legendarische reputatie opgeleverd, waar iedereen trots op was. En waar geen marketingactie tegen op kon. Eén focus, één prioriteit. Het vergde moed en doorzetting om dit 112 jaar vol te houden. Maar het was die oprechte vastberadenheid die er uiteindelijk voor zorgde dat de gids, zelfs in de gietende regen, met een warme menselijkheid die vreemde bezoeker verwelkomde.
(*): het regende boten en tonnen is Catalaans voor ”het regent oude wijven”. In het Catalaans klinkt deze uitdrukking minder beledigend voor oudere dames.
Tekst geïnspireerd op het krantenartikel “Miele Grazie” uit de Financieel Economische Tijd van 3/1/2012. Van Miele vernamen we dat ze ondertussen reeds 112 jaar bestaan, en niet 102 zoals in het artikel vermeld werd.
Blaadje

Ze hadden hem gezegd dat er iets aan hem veranderd was. Plotsklaps. Eergisteren was het er nog niet. Gisteren was hij er niet en vandaag was hij een ander mens geworden. Zelf had hij het ook gevoeld. Gisteren al. Na de opleiding was hij vol energie huiswaarts gekeerd. Doorgaans was hij, net zoals zovelen, moe en uitgeteld na een lange dag luisteren. Maar niet nu. Nu had de opleiding hem opgeladen. Perfect en compleet.
Hij vroeg zich af wat er aan hem veranderd was. Hij had dan wel in zijn opleiding nieuwe dingen geleerd, maar dat bleek het niet te zijn. Het was de manier waarop hij daar nu stond. Zijn houding was anders. Tot gisteren was hij zoals alle anderen. Hij werkte met plezier en zelfs hard en redelijk toegewijd, zeven op tien zou hij van zichzelf zeggen. Niet zo toegewijd als zijn zoontje die voetbalde. Dat was een negen op tien. Net geen tien op tien, want iets te vaak, meer dan hij aanvaardbaar vond, wou het jongetje niet naar de training. Een tien op tien zou staan springen om geen enkele training te missen. Zeven op tien, dat was zoiets als je job net goed genoeg doen, af en toe zelfs een, weliswaar kleine, extra inspanning leverend, maar zeker niet zo zot als jonge hyperactieve High-Potentials die nog altijd dachten dat hun aanwezigheid niet gewoon relevant maar echt essentieel was.Wat was er dan veranderd? Hij straalde zijn vak uit. Hij stond te popelen om de poëzie van zijn job, heftruck-ploegbaas, te debiteren. Al van ′s ochtends, toen de nachtshift zijn laatste uren draaide en hij al was opgekomen, moest hij het hen vertellen. En het werkte. Begeesterend stond hij te vertellen en met zijn armen te zwaaien. De ploeg keek enigszins vermoeid en verbaasd toe. Maar ook zij geraakten een beetje besmet met zijn enthousiasme en gingen goedgeluimd die ochtend naar huis, dromend van wat hij de mooiste heftruckroute door het magazijn noemde. Niet zomaar de efficiëntste of effectiefste. Hij gebruikte het woord mooiste. Het uitzicht was nochtans behoorlijk monotoon tussen al die rekken. En hij had het over het dansen van zijn heftruck, in plaats van over de draaicirkel.
Hoe kwam dat? Vanwaar die inspiratie? Zijn docent. De docent van de cursus was bijzonder. Hij was uiteraard deskundig. Hij kende zijn onderwerp en hij was pedagogisch onderlegd. Dat is immers de minimum deskundigheid die je mocht verwachten van een docent. Dat je iets weet en dat je ook weet hoe je dit nu moet uitleggen.
Deze docent was naast deskundig, ook echt gepassioneerd. Hij vertelde met gevoel over zijn vak. Hij liep over van liefde voor de heftruck en de wijze waarop je ze allemaal kan inzetten. En hij had ervaring. Hij was ooit zelf heftruckchauffeur geweest.
Hoe hij daar stond was in geen lijstjes te vatten. De klas had het gemerkt toen ze het obligate appreciatieformuliertje moesten invullen over de cursus. Het blaadje voelde bijna als een belediging aan. Kwaliteitscontrole heette het blaadje. Maar hij oversteeg dergelijke kwaliteit. De impact van zijn lesgevende stijl was in geen cijfer te vatten.
Garnalen en reistassen

Voor hem lagen twee teksten op zijn bureau. Een vier-kolommenlang artikel uit wat de volksmond een kwaliteitskrant noemt en een velletje getypt A4, in drie geplooid omdat het in een lange smalle zakelijke enveloppe werd afgeleverd. Het A4’tje was geschreven door een huisarts die haar huisbezoeken aflegt in een Japans kwalitatief klein autootje van het merk waarmee je niet opgemerkt wordt als je langs terrassen flaneert. Bescheiden is een understatement. De inrichting van het kabinet van de betreffende huisarts doet vermoeden dat deze dateert van het moment dat ze afgestudeerd was, zo’n kleine dertig jaar geleden. De tekst betrof een lofzang op het leven. De huisarts had bij de geboorte van zijn kind niet zomaar een kaartje met voorgedrukte wensen geschreven, ze had op een wit stuk papier, zonder illustratie, een boodschap neergetikt met haar computer. Hierbij verwees ze uiteraard in eerste instantie naar het kind en spiegelde ze haar een prachtige toekomst voor. Ook de ouders, zelfs de grootouders en andere familieleden passeerden de revue en werden fijne eigenschappen toegedicht van liefde en zorg voor het kind. Nu gebeurt het wel vaker dat mensen een dergelijke brief schrijven maar het viel hem op hoe treffend de huisarts in amper twee zinnen de kwaliteiten van al deze bovengenoemde personen kon samenvatten, in een taal die door iedereen te begrijpen viel. Het viel hem op omdat de huisarts geen arts van dure medische woorden was. Het was een huisarts die de taal van het volk sprak, die zich tussen het volk bevond. Dat volk had soms weinig of geen centen om een medisch advies te betalen, maar deed het dan maar, anno 2011, volgens eigen mogelijkheden, door de arts soms te bedanken met een emmertje vis of een kilo verse garnalen. De fiscus zou dergelijke gezondheidszorg wellicht niet appreciëren.
De huisarts, met een bijzonder inzicht in haar patiënten, meer dan emotioneel intelligent, met een autootje zonder merk, een bijzondere persoon, verpakt in een simpel krantenpapier. Je komt ze niet vaak tegen.
Het krantenartikel had het over dure reistassen, nodig om een reis naar het Verre Oosten te maken. Een dure reis, nodig om protocollaire redenen. Om ons land te laten uitblinken op internationaal veiligheidsvlak. We zouden eens laten zien dat het land van Maigret zijn naam meer dan waardig was door haar politiechef als een visitekaartje met blinkende knopen op het uniform in de woestijnzon te laten schitteren. Vier kolommen waren nodig om te proberen motiveren waarom exclusieve tassen en honderdduizend euro toch wel essentieel waren om de job te kunnen doen. Nu kan ik me iets voorstellen bij het budget dat nodig is om een spaceshuttle te lanceren, maar ik ben ook al eens op reis geweest, organiseerde ook al eens een receptie en weet hoe veel een gefrituurd loempiaatje kost. Het artikel was wellicht te kort om mij echt te kunnen overtuigen.
Een beduimeld A4’tje met een paar rake, mooie, zorgende zinnen, geschreven door een meer dan bescheiden levensredder. Vier krantenkolommen over een blinkende kepie, vol testosteron, ego en dure merken, die het niet hadden over hoe je burgers beschermt.
Hij keek naar beide artikels. Hij adviseerde bedrijven bij hun management. Hij probeerde dat management iedere keer opnieuw te overtuigen om wat meer bescheidenheid aan de dag te leggen, om wat meer te luisteren en die grote logo’s even achterwege te laten. Hij reed weliswaar zelf niet met een klein Japans autootje en had toch wel een mooi bureau met passende stoelen en een schilderijtje aan de muur. Waar zat hij in zijn aanpak? Demonstreerde hij wel wat hij predikte? Of had hij teveel woorden nodig om het evidente te zeggen? Hij moest toegeven dat hij zo groots niet was als de huisarts, maar gelukkig nog niet zo klein als de politiechef. Maar deze twee artikels, naast elkaar op zijn bureau, deden hem nadenken en beseffen dat het toch wel nog beter kon.
