Posts Tagged ‘tijd’
12 uur
Die dag vielen alle klokken stil. Allemaal. Om 12 uur. Tenminste dat dacht men. Want het had even geduurd vooraleer de eerste door had dat de klok was stil gevallen. Alle klokken. Polshorloges, wandklokken, de sprekende klok, zelfs de klokken die alomtegenwoordig van op computerschermen het heden naar je toeschreeuwden. De tijd stond stil. Of meer precies, de cijfers en de wijzers bewogen niet meer.
Aanvankelijk gebeurde er niets. Zoals gezegd, het duurde zelfs even voor de eerste het door had. Maar toen de eerste het doorhad en dit vertelde aan de tweede, die het aan de derde verder vertelde, toen begon het allemaal fout te lopen. Onzekerheid sloeg toe. Mensen geraakten in paniek. Hoe kon dit gebeuren? Waar was de tijd naartoe? Hoe laat was het nu? Zal ik nog op tijd zijn? Een vraag die compleet haar betekenis verloor. Als er geen tijd is, dan ben je altijd op tijd. Of nooit? Net zoals de tijd al-tijd een grote impact had gehad op mensen, zo bleek de afwezigheid van tijd een gelijkaardige, zo niet nog grotere invloed te hebben. De samenleving viel stil. Iedereen vroeg zich af hoe laat het was. Niemand wou nog verder werken. Bedrijven legden hun productie stil. Kan je immers overwerken als er geen tijd meer is?
Treinen verlieten het station niet meer. Was iedereen aanwezig? En moesten we nu wel vertrekken?
De enige plaats waar activiteit te bespeuren viel, was de kinderkribbe. Geen van de peuters was uit zijn lood geslagen. Geen van de peuters stopte met spelen. De tijd had geen vat op hun spel. Kraaiend van plezier lieten ze wagentjes rondrijden en poppen in wiegen slapen. Hoe lang dit nog zou duren, kon niemand zeggen.
Moestuin
Een banaan stond tegen het tuinmuurtje geleund zoals alleen bananen dat konden doen. Hij had zich krom gewerkt om tijdig het moestuintje om te spitten en klaar te maken voor het voorjaar. Van de Appel en de Peer was er nog geen teken van leven. Zelfs hun bloesems waren op dit ogenblik amper zichtbaar. Uitgerekend hij moest staan spitten in de Vlaamse grond. Hij had een lange weg afgelegd. Met duizenden opéén gepakt in het ruim van een vrachtschip had hij de overtocht gemaakt. Hij was toen nog een groentje. Hij en zijn soortgenoten waren de zowat de eersten geweest van een hele verzameling immigrerend fruit dat zijn weg zocht naar een nieuwe wereld. Na hem waren tonnen kiwi’s gekomen, stervruchten en diets meer. Weg van die lokale markten waar ze allemaal samen op een hoop gegooid lagen te blaken in de zon. Vliegen en andere ongedierte alom. Stof en zand tussen de blaadjes van de mandarijnen. Hij had gehoord van die koele rekken in supermarkten, waar het fruit met geprogrammeerde regelmaat beneveld werd met fris water. SUPERmarkten. De naam alleen al. Dat kon alleen maar super zijn. Dit moest de fruithemel op aarde wel zijn. Alleen, hier stond hij dan. Naast de composthoop, het kerkhof van zijn geconsumeerde vrienden. Zich uit de naad te werken om die moestuin tijdig af te krijgen. Tijdig, want dat had hij geleerd hier in het Westen. Dat er zoiets als tijd bestond. In zijn moederland had hij er geen besef van gehad. De zon ging op en de zon ging onder. Hier regeerde de tikkende klok. De cadans van het Westerse leven. Samen met zijn vrienden had hij een vooraf bepaalde tijd gerijpt. Was dan om de 37 minuten beneveld om dan binnen de 6 dagen in het rek verkocht te worden. Hij werd op de zevende dag verkocht aan halve prijs. Snelverkoop noemde men dit. Bleek dat hij minder goed in de markt lag als zijn houdbaarheidsdatum te dicht benaderd werd. En dat terwijl hij wist dat hij net het lekkerst was als hij zich voldoende had kunnen ontwikkelen. Die Westerlingen, ze begrepen het niet.
