Posts Tagged ‘respect’
Nazomer

Het gevreesde en enigszins onvermijdelijke gebeurde dan toch. En dan nog op haar eerste werkdag na haar vakantie. Daar zat ze dan.
Ze had op de eerste werkdag besloten dat ze haar lunch met haar collega, die haar vervangen had, zou nemen in de taverne om de hoek. Het terras was zonovergoten. De zomer was nog lang niet van plan om een einde aan zijn tijdperk te maken. Ze zaten samen te genieten van een koel wijntje, wachtend op de twee spaghetti’s bolognaise die ze besteld hadden. Uit eten op de eerste werkdag, dat wel, maar toch niet overdrijven in de keuze van het gerecht. Een bescheiden pasta leek de juiste keuze voor het moment.
De pasta kwam en het ritueel van het ronddraaien van de vorken begon. Wie ooit beslist had dat spaghetti persé bordwalsend moest worden verorberd, weet niemand. Alleen is die onverlaat met zijn idiote eetmethode verantwoordelijk voor veel ellende in de wereld. Zwiepende slierten in een bord met onuitwisbare rode tomatensaus, dat is niet om moeilijkheden vragen, dat is puur culinair en vestimentair sadisme.
En zo kwam het dat zij, op die eerste werkdag, ietwat feestelijk en zomers luchtig uitgedost, een spat rode saus op haar roze topje zag landen. Spat is eigenlijk te veel om het minuscule vlekje te beschrijven dat zich op het fraai gewelfde gedeelte van haar kleding, helaas net onder het decolleté, op de stof had genesteld. Het topje deed wat een mooi en stijlvol topje moest doen. Verhullend tonen wat prikkelend verborgen zat. Borsten, nu versierd met een pigment van tomaat. Het vlekje was haast niet te zien, maar dat was niet haar visie. Smetteloos moest haar kledij zijn. Onzorgvuldigheid kende ze niet. Het was haar handelsmerk, haar eigenschap.
Eerder die dag had ze zich al opgewonden over een gelijkaardig feit. Tijdens haar vakantie had haar collega, de taak overgenomen om de binnenlopende reacties op een nieuwe vacature op te volgen. De collega had wel de mails en brieven netjes geordend, maar hij had nagelaten om de kandidaten een bevestigingsberichtje te sturen, hen dankend voor hun belangstelling en zeggend dat het schrijven in goede orde was aangekomen. Een vorm van elementaire beleefdheid jegens de mogelijk toekomstig medewerker. Het stond immers in de vacature dat hun bedrijf respectvol met zijn medewerkers omging. Helaas had de collega daar niet aan gekoppeld dat je dus best beleefd kon zijn, ook bij een eerste sollicitatiecontact. Het was het eerste vlekje van de dag. Haar job werd onzorgvuldig uitgevoerd door een collega. Ze had dan wel, direct na de ontdekking van dit euvel, nog enkele bedankingsmails uitgestuurd, maar eigenlijk had dit weinig zin. Het was een beetje zoals het water waarmee ze in het toilet van het restaurant haar tomatenvlek probeerde weg te werken. Borsten onder de kraan, een poging tot oplossen. Aanvankelijk is de vlek verdwenen of maakt ze eerder plaats voor een grote waterplas, maar eens het water opgedroogd is, komt de pigmentvlek terug. De sollicitant zal wellicht de laattijdige bedanking appreciëren, maar je kan er zijn eerste indruk van een onbeleefd bedrijf niet mee wegnemen. You never make a first impression twice.
Als je beweert dat je respect hebt voor je mensen, demonstreer het dan in plaats van het alleen maar te zeggen. Zij zou dat doen. Zorgvuldig, professioneel, nauwgezet, correct. Dat was en is ze. Daarom zag ze, zelfs toen ze thuis kwam, nog altijd die vlek als een smet, als een olievlek voor de Mexicaanse kust. Ze keek in de spiegel, schudde meewarig het hoofd, en trok haar topje uit …
21u15
“Wat ben je aan het doen?” vraag ik hem.
Ik wacht op jou, was zijn antwoord. Hij zat rechtop in zijn bed, te wachten. Rustig. Gewoon. Te wachten. Het verraste me enigszins. Hij heeft immers niet zo’n rustige natuur, zeker niet als het op zijn bed aan komt. Dan is hij zelden moe als het bedtijd is. 10 jaar. Dan is het bed altijd een landschap vol avonturen, die opduiken voor het slapen gaan.
Ik schrok ook omwille van de eerlijke onschuld van zijn antwoord. Hij was inderdaad aan het wachten op mij. Niets meer, niets minder. Geen verwijt, geen verontwaardiging, zelfs geen teleurstelling, nog niet. Het raakte me, hard en diep. Hoe vaak hoor je een volwassene zeggen dat hij wacht, zonder verontwaardiging?
We hadden om 21u afgesproken aan de rand van zijn bed. Het was immers vakantie. Dan mocht het iets later zijn. Sedert december lezen we, aan een ritme van ongeveer vier dagen per week, samen een boek. Twee hoofdstukken per avond, zo’n 15 à 20 bladzijden. 20 minuten. Ik lees voor, hij leest mee. Het is een ritueel dat zijn eigen plek heeft gekregen. In het half donker met enkel een nachtlampje op de tafel en een leeslampje naast het bed, lezen we de jeugdboekenreeks Torak en Wolf. Het verhaal, mijn stem, de nacht. De wereld van Torak komt dan tot leven. We zitten al aan het tweede boek.
Het was 21u15. Ik was te laat. Maar er was geen verwijt. Ik was te laat omdat ik deed wat volwassenen vaker doen. Voortdoen met wat ze bezig waren. Werken of nog snel het nieuws lezen, of zoals in mijn geval, mijn houtbewerkingsatelier opruimen. Ik zit er vaak de laatste tijd. En ik zit er graag. Zo graag, dat ik mijn zoon liet wachten. Ik had de keuze. Zoals we vaak de keuze hebben. Maar ik liet hem wachten. Ik had vroeger kunnen stoppen en onze afspraak respecteren. Het is een tip die ik, als adviseur in samenwerking, wel vaker geef. “Met simpele dingen toon je het meeste respect en bouw je de beste samenwerking. Door bijvoorbeeld op tijd te komen.” Ook mijn zoon lees ik wel eens de les. En hij laat het zich doorgaans welgevallen. Ik ben de leraar. Ik weet hoe het moet en dat denkt hij ook.
Maar nu las hij me de les. Ongewild en onwetend. Door te doen wat ik zo vaak vraag. Hij was op tijd. Had hij maar gezegd “was je weer aan het werken?” Of zelfs “je bent weer te laat, papa!” Maar nee, hij suggereerde niets, niet met woorden, niet met zijn stem, niet met zijn houding. Hij vertrouwde erop dat ik er ging zijn. Ook al had hij de ervaring dat ik soms wel verzonken ben in mijn eigen wereld. Hij wachtte.
De leraar en de leerling. Ik ervoer plots wat het betekende: “de leraar en de leerling bewandelen naast elkaar het pad.” Hij grijpt ’s ochtends, als we naar school stappen, nog vaak naar mijn hand. Ik dacht al die tijd dat ik hem leidde, maar misschien en wellicht is het ook omgekeerd. De kracht van eerlijke onschuld. Of mildheid. Ik hoop dat hij het niet afleert.
De triangel
De dirigent keek bezorgd door het raam. Het concert was net afgelopen en alhoewel het publiek het orkest had beloond met een staande ovatie, wist hij dat het niet perfect was geweest. Die nieuwe, daar was nog werk aan. Alhoewel, kon je dat oplossen?
Het was het eerste concert met een nieuwe muzikant die de triangel speelde. En alhoewel het instrument zowat het kleinste was van het orkest, slechts drie klanken voorbracht, en meer niet werd bespeeld dan wel tijdens een concert, had de triangel voorheen een bepalend effect gehad op het orkest. Niet in het minst omdat de triangel, hoe klein hij ook was, overal doorheen klonk. Met hemelse zuiverheid kon je de triangel horen tot op de achterste rij in het concertgebouw. Je kon dus maar zorgen dat je op het juiste moment op de triangel tikte.
Maar daaraan lag het niet. De nieuwe muzikant kende zijn vak. Hij beroerde de metalen driehoek met wiskundige precisie. En misschien was dat het probleem. In het concert dat die avond gespeeld werd, kwam er net een moeilijke pianopartij vlak voor zijn “ting”. En de pianist had de neiging altijd een beetje te vertragen waardoor de triangel ook wat later moest komen. Maar dat aanvoelen, dat had de nieuweling niet. Hij miste de ervaring met het orkest. Iets wat je niet op de schoolbanken kon leren.
Maar nog belangrijker was de rust die de oude triangelaar al die jaren had uitgestraald, daar achteraan op de laatste rij van het orkest. Als een soort gespiegelde dirigent had de vorige triangel-speler, de andere slagwerkers en zelfs een deel van de kopers altijd gesteund met een rustig gebaar, een fluisterend woord. Ook al bespeelde hij het kleinste dingetje, hij had vroeger gespeeld bij de grote Von Karajan. Maar hij was al die jaren, zoals zijn instrument, bescheiden gebleven, respectvol naar iedereen rondom hem. De spanningen die tijdens een concert al eens naar boven kwamen als er al eens fout werd gespeeld, had hij altijd met een milde glimlach kunnen bezweren.
En het was die spanning die de dirigent had gevoeld tijdens het concert. De souplesse van weleer was er niet. De noten waren noten gebleven, juist gespeeld, maar daarmee was het nog geen muziek. De kennis was er, maar de rest nog niet.
De steenkapper
Zijn opdrachtgever was formeel geweest. Twaalf marmeren beelden voorstellende de dierenriem. Elk beeld twee meter hoog op een arduinen sokkel van ongeveer één meter. Het was zijn grootste opdracht als steenkapper, want zo noemde hij zich graag. Liever steenkapper dan beeldhouwer. Het klonk artisanaler en zo had hij het graag. Hij had een ruim budget gekregen. Hij mocht zijn marmer zelf gaan kiezen in de steengroeve. Hij voelde zich een echte.
En zo gebeurde het dat zes maanden later drie grote vrachtwagens de marmeren blokken kwamen uitladen aan zijn atelier. Zijn erf had er nog nooit zo vol bijgelegen. Dagen besteedde hij aan het bekijken van zijn blokken. Welk beeld zou uit welk blok komen? Hij keek, voelde, mat, dacht na en keek nog eens opnieuw. Een eerste blok werd gekozen en hij toog aan het kappen. Dagen en nachten bracht hij in zijn atelier door. Gedreven door het vuur van het steenkappen. Ongeduldig om de eerste contouren te zien van zijn creatie. Zijn opdrachtgever was formeel geweest. Het moesten klassieke beelden worden, met een moderne strakke lijn, overeenkomstig zijn bedrijf. Zijn bedrijf pretendeerde het diepe inzicht te hebben van de Grieken, maar dan wel in een actueel tijdperk. Daar was hij samen met een adviseur achter gekomen. Na een tweetal weken kon je zien welke richting het uitging. Dit zouden de Vissen worden. De aders in het marmer vormden het spel van het water.
Maar de derde week ging het mis. Net toen hij aan de staart van een vis met strakke lijn kapte, begon het beeld te splijten. Er was geen houden aan. Twee tikken en een groot stuk marmer brak af. De vis had geen staart meer. De steenkapper was in paniek. Hij belde zijn leraar van weleer en verzocht hem naar zijn atelier te komen. De leraar kwam. De leraar vroeg waarom hij hier en daar had gekapt. “Er moest een strakke lijn in komen”, sprak de steenkapper. “Een strakke lijn”, herhaalde de leraar. “Om in overeenstemming te zijn met het bedrijf”, vulde de steenkapper aan.
“Een bedrijf kan veel willen”, zo sprak de leraar, “maar een steen laat zich niet gebieden. Een kunstenaar is de baas over zijn werk op papier, tijdens de voorbereidingen. Zodra hij een steen geselecteerd heeft, is de steen de baas. Enkel door eerst respect te hebben voor de steen, kan je de steen met succes naar je ontwerp zetten. De steen moet je ontwerp niet respecteren. Maar je ontwerp wel de steen.”
“Dan is dit kapotte beeld misschien toch nog goed”, antwoordde de steenkapper, “want dat is misschien de boodschap die te onthouden valt.”
Faa-tzo-tzi-tzaam
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, mompel ik terwijl ik de motor start. We gaan op reis.
“Wat zeg je?” vraagt mijn zoon op de achterbank.
“Niets”, antwoord ik.
“Toch wel”, volhardt mijn zoon. Een jongen van acht laat zich niet zo makkelijk afschepen. “Je zei iets raar.” Tegenwoordig heeft hij grote belangstelling voor mijn doen en laten. Wellicht omdat de zomerprogrammatie van Ketnet niet boeiend genoeg is.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, zeg ik opnieuw, nu iets nadrukkelijker.
“Wat is dat?”, vraagt hij verder.
“Goh…..”
Hoe moet ik dat nu uitleggen? Hoe kan ik vertellen aan een kind van acht, dat zich de afgelopen maanden uit de naad gewerkt heeft om foutloos te schrijven, te lezen en te spreken, dat mijn gebrabbel een door mijn grootmoeder aangeleerde verbastering is van een zinnetje uit een geloof dat allang het mijne niet meer is, dat daarenboven geen enkele communicatieve waarde heeft, maar dat ik nog altijd uitspreek als we “op reis” vertrekken.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”. Het is de versnelde samentrekking van “in de naam van de vader (Faa), de zoon (tzo), de heilige geest (tzi), amen (tzaam).” Faa-tzo-tzi-tzaam.
De aarzeling in mijn uitleg en het feit dat zijn dvd net gestart is, zorgt ervoor dat ik mij niet verder suf moet denken over een uitleg. Bijna had ik gezegd dat het een toverspreuk was. Maar dat zou onterecht zijn. De Heilige Geest komt immers niet in Harry Potter voor.
Toen ik als kind op reis ging, en mijn grootmoeder reisde met ons mee, dan sloegen we met onze rechterhand altijd een kruis met de woorden “in de naam van de vader, de zoon, de heilige geest, amen”. Wellicht waren dat voor ons West-Vlamingen teveel lettergrepen. Doe daarbij nog eens de onmogelijke West-Vlaamse alliteratie Heilige Geest en je begrijpt dat wij in familiekring besloten hadden dat “Faa-tzo-tzi-tzaam” het ook wel zou doen. Mijn grootmoeder was een gelovig mens.
En een dergelijk kruisteken diende om onszelf een behouden reis toe te wensen.
Ik heb het, om het met de woorden van Willem Vermandere te zeggen, allang niet meer begrepen op die tot de tanden bewapende en marchanderende goden, maar nog steeds betrap ik mezelf erop dat ik de wonderspreuk van mijn grootmoeder gebruik. Het kruisteken sla ik allang niet meer en doorgaans zeg ik de spreuk niet meer hardop. Maar in mijn hoofd weerklinkt ze altijd.
Waarom doe ik dat dan? Is het nostalgie? Conservatisme? Een teken dat mijn ongeloof dan toch zo groot niet is als ik sta te verkondigen? Nee, het is een ritueel. Ooit was het een handeling vanuit een geloofsovertuiging, bij mijn grootmoeder. Nu is het een ritueel dat mij er nog steeds aan herinnert dat ik voorzichtig moet rijden, aandachtig moet zijn voor de anderen op de weg en beseffen dat ik verantwoordelijk ben voor al wie met me meerijdt. Daarom blijft het ritueel dan ook waardevol. Het brengt de waarden, die ik net zoals mijn grootmoeder in het vaandel draag, tot leven. Die van respect en aandacht voor anderen (en mezelf).
De vraag van mijn zoon naar een verklaring voor mijn handeling doet mij plots beseffen wat het belang van rituelen is. Een ritueel doet ons blijkbaar denken aan de kern van de zaak. Heel anders zou het zijn als ik de toverspreuk letterlijk zou nemen en iedereen in de wagen zou verplichten tot het unisono scanderen van “faa-tzo-tzi-tzaam”. Dan zou het een dogma zijn. Een Gebod. Dat doet het omgekeerde van een ritueel. Een gebod verbiedt ons te denken maar blindelings uit te voeren.
Mijn zoon zit op de achterbank met een koptelefoon te kijken naar een dvd van Shrek. Vader is tevreden. Geen jengelende kinderen aan zijn oren. Ik zie in het achteruitkijkspiegeltje dat het goed is. Om mij te sussen tijdens lange ritten gaven mijn ouders mij de vakantieboeken van “Suske en Wiske”. Ik werd er wagenziek van. Nu is het een draagbaar dvd-schermpje. Het ritueel werd behouden, de handeling is veranderd.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, mompel ik nogmaals. Kwestie van zeker te zijn dat Hij mij gehoord heeft.
