Posts Tagged ‘bescheidenheid’
Garnalen en reistassen

Voor hem lagen twee teksten op zijn bureau. Een vier-kolommenlang artikel uit wat de volksmond een kwaliteitskrant noemt en een velletje getypt A4, in drie geplooid omdat het in een lange smalle zakelijke enveloppe werd afgeleverd. Het A4’tje was geschreven door een huisarts die haar huisbezoeken aflegt in een Japans kwalitatief klein autootje van het merk waarmee je niet opgemerkt wordt als je langs terrassen flaneert. Bescheiden is een understatement. De inrichting van het kabinet van de betreffende huisarts doet vermoeden dat deze dateert van het moment dat ze afgestudeerd was, zo’n kleine dertig jaar geleden. De tekst betrof een lofzang op het leven. De huisarts had bij de geboorte van zijn kind niet zomaar een kaartje met voorgedrukte wensen geschreven, ze had op een wit stuk papier, zonder illustratie, een boodschap neergetikt met haar computer. Hierbij verwees ze uiteraard in eerste instantie naar het kind en spiegelde ze haar een prachtige toekomst voor. Ook de ouders, zelfs de grootouders en andere familieleden passeerden de revue en werden fijne eigenschappen toegedicht van liefde en zorg voor het kind. Nu gebeurt het wel vaker dat mensen een dergelijke brief schrijven maar het viel hem op hoe treffend de huisarts in amper twee zinnen de kwaliteiten van al deze bovengenoemde personen kon samenvatten, in een taal die door iedereen te begrijpen viel. Het viel hem op omdat de huisarts geen arts van dure medische woorden was. Het was een huisarts die de taal van het volk sprak, die zich tussen het volk bevond. Dat volk had soms weinig of geen centen om een medisch advies te betalen, maar deed het dan maar, anno 2011, volgens eigen mogelijkheden, door de arts soms te bedanken met een emmertje vis of een kilo verse garnalen. De fiscus zou dergelijke gezondheidszorg wellicht niet appreciëren.
De huisarts, met een bijzonder inzicht in haar patiënten, meer dan emotioneel intelligent, met een autootje zonder merk, een bijzondere persoon, verpakt in een simpel krantenpapier. Je komt ze niet vaak tegen.
Het krantenartikel had het over dure reistassen, nodig om een reis naar het Verre Oosten te maken. Een dure reis, nodig om protocollaire redenen. Om ons land te laten uitblinken op internationaal veiligheidsvlak. We zouden eens laten zien dat het land van Maigret zijn naam meer dan waardig was door haar politiechef als een visitekaartje met blinkende knopen op het uniform in de woestijnzon te laten schitteren. Vier kolommen waren nodig om te proberen motiveren waarom exclusieve tassen en honderdduizend euro toch wel essentieel waren om de job te kunnen doen. Nu kan ik me iets voorstellen bij het budget dat nodig is om een spaceshuttle te lanceren, maar ik ben ook al eens op reis geweest, organiseerde ook al eens een receptie en weet hoe veel een gefrituurd loempiaatje kost. Het artikel was wellicht te kort om mij echt te kunnen overtuigen.
Een beduimeld A4’tje met een paar rake, mooie, zorgende zinnen, geschreven door een meer dan bescheiden levensredder. Vier krantenkolommen over een blinkende kepie, vol testosteron, ego en dure merken, die het niet hadden over hoe je burgers beschermt.
Hij keek naar beide artikels. Hij adviseerde bedrijven bij hun management. Hij probeerde dat management iedere keer opnieuw te overtuigen om wat meer bescheidenheid aan de dag te leggen, om wat meer te luisteren en die grote logo’s even achterwege te laten. Hij reed weliswaar zelf niet met een klein Japans autootje en had toch wel een mooi bureau met passende stoelen en een schilderijtje aan de muur. Waar zat hij in zijn aanpak? Demonstreerde hij wel wat hij predikte? Of had hij teveel woorden nodig om het evidente te zeggen? Hij moest toegeven dat hij zo groots niet was als de huisarts, maar gelukkig nog niet zo klein als de politiechef. Maar deze twee artikels, naast elkaar op zijn bureau, deden hem nadenken en beseffen dat het toch wel nog beter kon.
Bluesette
Na zestig jaar besloot hij om toch nog maar wat te oefenen. Die laatste hoge noot gisterenavond kwam niet zoals hij het had gewild. Iets te vroeg, te weinig aangeblazen en daardoor te kort waardoor de melancholie, die het moest vertolken, niet geheel de zaal in werd gestuurd. Was het de zaal, of eerder de tent en de donderwolken die toch begonnen op te komen? Of de drummer die even had gehaperd in zijn solo, net toen hij moest invallen? Of lag het toch aan hem? Beter zeker zijn en nog wat oefenen.
Hoe deed hij het toch? Zestig jaar volhouden om te oefenen. En dan nog op één instrument, amper een hand groot. Zijn houding was er één van permanente bescheidenheid. Eerbiedig voor het instrument, zijn ziel, de compositie en de andere muzikanten. Hij was uiteraard fier op zijn prestatie en enige ijdelheid was hem niet vreemd, anders deed je zijn beroep niet. Maar die beroepstrots, dat meesterschap vertaalde zich niet in het label “expert”, zelfs niet in “senior”-ikweetnietwat. Gewoon muzikant. Jazzmuzikant om meer precies te zijn.
Hij werkt voor studio’s en orkesten. Dirigenten en producers zwaaien de scepter. Vroeger durfde er al eens eentje zeggen wat de muzikant moest doen. Waar hij op moest oefenen. Of erger, dat hij maar best van instrument zou veranderen, als hij er zijn toekomst zou willen van laten afhangen. Nu niet meer. De tijd bewees dat boven strategisch inzicht, boven de noden van de studio, de persoonlijke passie voor het vak regeerde.
Je kan een aap niet leren aardbeien eten als hij liever bananen lust. Je kan hem wel laten kennis maken met de aardbei en dan nederig toekijken of de nieuwe vrucht gesmaakt wordt. Met geduld. Als de vonk overslaat, komt de rest vanzelf.
Geen ingewikkelde ontwikkelingsplannen. Geen uitstippelde route. Maar een vuur dat niet te doven is. Een passie voor het instrument en de interpretatie. Gewoon spelen en oefenen. Vooral veel oefenen. Door het passioneel te oefenen ontstaat een symbiose tussen mens, instrument en muziek. En uiteindelijk ook de toehoorder. Elke producer weet dat hij daar geen hand in heeft. Dit is de muzikant die aan het werk is zoals een muzikant aan het werk hoort te zijn. Klaar staan als het eens een mindere avond was, om de ziel van de performer die hij toch zo kwetsbaar openstelde, op te vangen. Dat is het enige dat hij kan en moet doen.
Competentie begint bij passie en groeit door de competentiehouder voorop te stellen. Voorop. Dat betekent op de eerste plaats.
De triangel
De dirigent keek bezorgd door het raam. Het concert was net afgelopen en alhoewel het publiek het orkest had beloond met een staande ovatie, wist hij dat het niet perfect was geweest. Die nieuwe, daar was nog werk aan. Alhoewel, kon je dat oplossen?
Het was het eerste concert met een nieuwe muzikant die de triangel speelde. En alhoewel het instrument zowat het kleinste was van het orkest, slechts drie klanken voorbracht, en meer niet werd bespeeld dan wel tijdens een concert, had de triangel voorheen een bepalend effect gehad op het orkest. Niet in het minst omdat de triangel, hoe klein hij ook was, overal doorheen klonk. Met hemelse zuiverheid kon je de triangel horen tot op de achterste rij in het concertgebouw. Je kon dus maar zorgen dat je op het juiste moment op de triangel tikte.
Maar daaraan lag het niet. De nieuwe muzikant kende zijn vak. Hij beroerde de metalen driehoek met wiskundige precisie. En misschien was dat het probleem. In het concert dat die avond gespeeld werd, kwam er net een moeilijke pianopartij vlak voor zijn “ting”. En de pianist had de neiging altijd een beetje te vertragen waardoor de triangel ook wat later moest komen. Maar dat aanvoelen, dat had de nieuweling niet. Hij miste de ervaring met het orkest. Iets wat je niet op de schoolbanken kon leren.
Maar nog belangrijker was de rust die de oude triangelaar al die jaren had uitgestraald, daar achteraan op de laatste rij van het orkest. Als een soort gespiegelde dirigent had de vorige triangel-speler, de andere slagwerkers en zelfs een deel van de kopers altijd gesteund met een rustig gebaar, een fluisterend woord. Ook al bespeelde hij het kleinste dingetje, hij had vroeger gespeeld bij de grote Von Karajan. Maar hij was al die jaren, zoals zijn instrument, bescheiden gebleven, respectvol naar iedereen rondom hem. De spanningen die tijdens een concert al eens naar boven kwamen als er al eens fout werd gespeeld, had hij altijd met een milde glimlach kunnen bezweren.
En het was die spanning die de dirigent had gevoeld tijdens het concert. De souplesse van weleer was er niet. De noten waren noten gebleven, juist gespeeld, maar daarmee was het nog geen muziek. De kennis was er, maar de rest nog niet.
