Faa-tzo-tzi-tzaam
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, mompel ik terwijl ik de motor start. We gaan op reis.
“Wat zeg je?” vraagt mijn zoon op de achterbank.
“Niets”, antwoord ik.
“Toch wel”, volhardt mijn zoon. Een jongen van acht laat zich niet zo makkelijk afschepen. “Je zei iets raar.” Tegenwoordig heeft hij grote belangstelling voor mijn doen en laten. Wellicht omdat de zomerprogrammatie van Ketnet niet boeiend genoeg is.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, zeg ik opnieuw, nu iets nadrukkelijker.
“Wat is dat?”, vraagt hij verder.
“Goh…..”
Hoe moet ik dat nu uitleggen? Hoe kan ik vertellen aan een kind van acht, dat zich de afgelopen maanden uit de naad gewerkt heeft om foutloos te schrijven, te lezen en te spreken, dat mijn gebrabbel een door mijn grootmoeder aangeleerde verbastering is van een zinnetje uit een geloof dat allang het mijne niet meer is, dat daarenboven geen enkele communicatieve waarde heeft, maar dat ik nog altijd uitspreek als we “op reis” vertrekken.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”. Het is de versnelde samentrekking van “in de naam van de vader (Faa), de zoon (tzo), de heilige geest (tzi), amen (tzaam).” Faa-tzo-tzi-tzaam.
De aarzeling in mijn uitleg en het feit dat zijn dvd net gestart is, zorgt ervoor dat ik mij niet verder suf moet denken over een uitleg. Bijna had ik gezegd dat het een toverspreuk was. Maar dat zou onterecht zijn. De Heilige Geest komt immers niet in Harry Potter voor.
Toen ik als kind op reis ging, en mijn grootmoeder reisde met ons mee, dan sloegen we met onze rechterhand altijd een kruis met de woorden “in de naam van de vader, de zoon, de heilige geest, amen”. Wellicht waren dat voor ons West-Vlamingen teveel lettergrepen. Doe daarbij nog eens de onmogelijke West-Vlaamse alliteratie Heilige Geest en je begrijpt dat wij in familiekring besloten hadden dat “Faa-tzo-tzi-tzaam” het ook wel zou doen. Mijn grootmoeder was een gelovig mens.
En een dergelijk kruisteken diende om onszelf een behouden reis toe te wensen.
Ik heb het, om het met de woorden van Willem Vermandere te zeggen, allang niet meer begrepen op die tot de tanden bewapende en marchanderende goden, maar nog steeds betrap ik mezelf erop dat ik de wonderspreuk van mijn grootmoeder gebruik. Het kruisteken sla ik allang niet meer en doorgaans zeg ik de spreuk niet meer hardop. Maar in mijn hoofd weerklinkt ze altijd.
Waarom doe ik dat dan? Is het nostalgie? Conservatisme? Een teken dat mijn ongeloof dan toch zo groot niet is als ik sta te verkondigen? Nee, het is een ritueel. Ooit was het een handeling vanuit een geloofsovertuiging, bij mijn grootmoeder. Nu is het een ritueel dat mij er nog steeds aan herinnert dat ik voorzichtig moet rijden, aandachtig moet zijn voor de anderen op de weg en beseffen dat ik verantwoordelijk ben voor al wie met me meerijdt. Daarom blijft het ritueel dan ook waardevol. Het brengt de waarden, die ik net zoals mijn grootmoeder in het vaandel draag, tot leven. Die van respect en aandacht voor anderen (en mezelf).
De vraag van mijn zoon naar een verklaring voor mijn handeling doet mij plots beseffen wat het belang van rituelen is. Een ritueel doet ons blijkbaar denken aan de kern van de zaak. Heel anders zou het zijn als ik de toverspreuk letterlijk zou nemen en iedereen in de wagen zou verplichten tot het unisono scanderen van “faa-tzo-tzi-tzaam”. Dan zou het een dogma zijn. Een Gebod. Dat doet het omgekeerde van een ritueel. Een gebod verbiedt ons te denken maar blindelings uit te voeren.
Mijn zoon zit op de achterbank met een koptelefoon te kijken naar een dvd van Shrek. Vader is tevreden. Geen jengelende kinderen aan zijn oren. Ik zie in het achteruitkijkspiegeltje dat het goed is. Om mij te sussen tijdens lange ritten gaven mijn ouders mij de vakantieboeken van “Suske en Wiske”. Ik werd er wagenziek van. Nu is het een draagbaar dvd-schermpje. Het ritueel werd behouden, de handeling is veranderd.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, mompel ik nogmaals. Kwestie van zeker te zijn dat Hij mij gehoord heeft.
