Archive for the 'Verhaal' Category

Googletje, googletje, aan de wand

Thursday, June 4th, 2009

Heel heel ver weg, in een donker bos, leefde een Koning met zijn Koningin en zijn dochter. Tenminste, de dochter was van de koning, maar niet van de Koningin. De koning was hertrouwd zoals dat soms ging in dat verre land. De koningin wou zangeres worden. En alhoewel ze eigenlijk geen talent had, ze had wel geld en ze was de vrouw van de koning. Dus dat scheelde een stuk om een hit te scoren. En zoals men kon vermoeden, was de koningin van het ijdele soort. Googletje, Googletje, aan de wand…wie is de populairste van het land? De koningin googelde minstens twee maal per dag om na te gaan of ze nog altijd bovenaan in de zoekresultaten stond. En zowaar, ze stond steeds met stip op nummer één. Iedereen hield van de koningin, zo vertelde Google.

Tot op een ochtend ze opnieuw voor Google zat en zag dat Sneeuwwitje op nummer één stond. Ze bleef niet bij de pakken zitten en vatte het plan op zichzelf terug op nummer één te krijgen en om als bijkomende bonus Sneeuwwitje uit de weg te ruimen.

Ze logde in op facebook en stuurde naar iedereen die ze kende en iedereen die ze niet kende een uitnodiging om vrienden te worden. Van al deze personen waren er voldoende die zelf ook ijdel genoeg waren om die vriendschap te bevestigen – wie wil er nu geen koningin als vriendin - waardoor de koningin in een mum van tijd meer dan duizend vrienden had. Ze sms-te naar de jager met de opdracht Sneeuwwitje uit de weg te ruimen, voor alle zekerheid. De jager antwoordde “ok” waarna hij op twitter schreef dat hij Sneeuwwitje zocht. In enkele minuten kreeg de jager zoveel tips dat het een klein kunstje zou worden om haar dood te cyberpesten. Toen de jager echter op de website van Sneeuwwitje terecht kwam, werd hij vertederd door zoveel schoonheid dat hij wou afzien van zijn opdracht. Hij wist echter dat, als de Koningin zou blijven vaststellen dat Sneeuwwitje het meest populair was, hij zelf het slachtoffer van haar woede zou zijn. Daarom besloot hij Sneeuwwitje gewoon zwart te maken in plaats van te doden. Een zwart Sneeuwwitje is zo goed als een dood Sneeuwwitje, zo dacht hij. Hij hackte haar website, manipuleerde haar foto’s met photoshop en verspreidde allerlei roddels over haar leven. Her en der doken blote Sneeuwwitjes op, in de meest bedenkelijke omstandigheden.

Sneeuwwitje was totaal ontredderd. Ze wist niet wat gedaan. Ze huilde uit op Netlog en ontmoette daar zeven bloggers. En zoals dat met bloggers altijd gaat, die zitten zo vaak en zo lang achter hun computerscherm dat ze zichzelf en hun huishouden compleet verwaarlozen. In ruil voor hun hulp poetste Sneeuwwitje het huis van de zeven bloggers. Ondertussen blogden de Zeven over Sneeuwwitje en hoe die hun leven aan het veranderen was. Ze liepen er zowaar gekamd en gewassen bij. De douche was als het ware een herontdekking. De verhalen die de bloggers publiceerden werden gretig gelezen door menig internaut. Iedereen wou weten hoe het Sneeuwwitje verging. Via de webcams van de zeven bloggers kon men meekijken en meezingen met de liedjes die Sneeuwwitje onder het huishoudelijke werk zong. Op Myspace werden Sneeuwwitje-clubs opgezet met haar liedjes en die van haar bewonderaars. Zo’n onbevangenheid en zo’n mooi meisje! Ze was de ontdekking van het jaar. Het talent waarop iedereen had zitten wachten.

En zo kwam het dat, toen de koningin op een dag opnieuw google raadpleegde, ze vaststelde dat Sneeuwwitje meer dan ooit de nummer één was geworden. De koningin beet in de appel en stierf.

De logofoor

Thursday, May 14th, 2009

Hij droomde van de verbinding van de mensheid. Alle mensen in contact met elkaar. Ideeën uitwisselen, elkaar stimulerend. Hij had hiertoe een instrument ontwikkeld. Het noemde het zelf de logofoor. De woordendrager. Of nog juister: de gedachten-drager.Het was allemaal begonnen met die ene doorbraak die hij had gerealiseerd bij het maken van zijn fonograaf. Het was zijn vriend, Theo, een imker in zijn vrije tijd, die toevallig op bezoek was geweest, die hem op het idee gebracht had om een rol bijenwas te gebruiken om de trillingen van het geluid mee vast te leggen. Het feit dat zijn vriend toevallig op bezoek was gekomen, had hem aan het denken gezet. Wat zou er gebeurd zijn als zijn vriend gewoon thuis was gebleven? Zou hij dan geen oplossingen gevonden hebben? Hij kwam tot het besluit, dat als je mensen met verschillende achtergrond samenbracht, je veel sneller tot nieuwe oplossingen en ideeën kwam dan wanneer je alleen nadacht. Maar ja, je moest al geluk hebben dat je twee gelijkgestemde zielen vond in je eigen straat, laat staan je eigen dorp. Theo woonde 25 dagreizen hier vandaan.

En zo kwam hij, na vele omwegen en toevalligheden op zijn logofoor. Aanvankelijk heette het geen logofoor, maar een spreekbuis.
Zijn schoonbroer baatte een hotel uit. Om in dat hotel de bediendes te roepen, werden bellen gebruikt, die via koorden aan het rinkelen werden gebracht. Op bevel van de bel schoot een bediende in actie en deed dan het nodige, bijvoorbeeld koffie halen. Om de communicatie te verbeteren vond hij de spreekbuis uit. Een tinnen buis waarin de gast zijn bevel schreeuwde dat de bediende in de kelder kon horen.
Maar wat als de spreekbuis nu eens verder zou gaan dan de kelder? Een spreekbuis die tot bij de buren liep, of nog verder, tot bij de overburen, of tot aan de andere kant van het dorp, of tot aan het volgende dorp? Dan zou je kunnen overleggen met iemand op 5 kilometer afstand zonder er naartoe te moeten gaan…Het leek een waanzinnige gedachte. Nog erger werd het toen hij bedacht dat het niet zomaar één buis zou zijn tussen twee punten. Het zou een netwerk van buizen zijn, in elk huis één. En iedereen zou erdoor kunnen praten en iedereen zou elkaar kunnen horen.

En zo kwam het, dat hij op een mooie lentedag in het veld op zijn buik lag tussen de koeien. Zijn mond tegen een tinnen buis gedrukt. Enkele honderden meters verder zijn trouwe assistent, met zijn oor tegen het andere einde van de buis, luisterend naar een geluid dat er zeer zwak door kwam.
Na de boodschap liep hij in alle haast naar zijn assistent.
“Heb je me gehoord?” vroeg hij uitgeput. De assistent durfde geen neen te zeggen. Hij had gemurmel gehoord. Maar misschien was het gewoon de wind.
“Zie je wel, het werkt”, zei hij uitgelaten, “Ik kan gedachten overbrengen.”
De assistent vond hem een fantast. Een lieve idioot die dacht dat hij mensen over grote afstanden met elkaar kon laten communiceren.
“Het was nogal stilletjes”, gewaagde de assistent te zeggen.
“Dat komt doordat de buis wat bergop ligt.” zei hij, “De woorden verliezen kracht als ze bergop moeten stromen. Misschien helpt het als ik op een stoel ga staan met de buis in mijn hand. Dan krijgen de woorden een grotere vaart bij de start.”
De assistent knikte gedwee. “Ik ga u een stoel halen”.

De logofoor werd die lente geen succes. Maar vele lentes later tikte zijn achterkleinkind http:// in, ook gericht naar zijn assistent. En dat was alleen maar mogelijk doordat al die lentes er assistenten waren die hun fantast aanmoedigden om door te gaan.

geïnspireerd door Alessandro Baricco

Jongetje

Monday, April 27th, 2009

Verweesd en verwonderd kijkt het kind de man met grote ogen aan. Donkere, gitzwarte karbonkels van ogen. Met die ogen kijkt hij de toekomst tegemoet. Een toekomst die hij niet kent en waarvan hij niets verwacht. Hij leeft gewoon de dag die vandaag is. Hier en nu. Begrippen die hij in het kleine schooltje leerde.

De man kent de begrippen niet meer. Hier is te klein, want hij wil de hele wereld. En nu is te laat, want hij wou het gisteren. En daarom hoorde hij niet wat de kleine hem wou vertellen. Zag hij niet wat de kleine hem wou geven. Hij duwde de jongen nogal ruw opzij. Nam een steen en sloeg meermaals tegen het raam van de deur. Tot het brak. Morrelde aan het slot en ging vloekend zijn kantoorgebouw binnen. Hij was zijn sleutel kwijt. Verdomme.  Hij was nu perfect georganiseerd. De sleutels van zijn kantoor zaten altijd in zijn linker jaszak. Maar niet vandaag. Hij had zich moeten haasten. Een file op weg naar kantoor…maar ook te laat uit bed. Te laat voor die vergadering. Als hij er niet was, zouden zijn klanten voor een gesloten deur staan.

Het jongetje kijkt verbijsterd naar de scherven op de grond. Zo’n geweld. Is dit nu een inbreker? Hij heeft nochtans geen masker aan. Het is een boze man. Een onaangename man.

Nochtans was ook de man ook ooit zo’n opgewekt ventje  geweest. De tijd had er twintig jaar over gedaan om van hem een klier te maken, die niemand lief had. Een man, gejaagd door de beurstijd, zoekend naar het juiste procent dat altijd te laat kwam. De huid van de man was bleek. Zijn gelaat leeg. Hij was een nog een vage schim van wat hij ooit was geweest.
“Meneer! Uw sleutels”, had het jongetje nog gepreveld, maar hij werd de mond gesnoerd. Hij had ze gevonden op het voetpad. Zien vallen uit de zak van de man. Maar de man was teveel bezig met de wereld. Zijn wereld.

Elke man begint als een jongetje, blakend van coloriet. Verwonderd en ontdekkend. Weinig mannen is het gegeven om hun kleur te behouden. Als slecht bewaarde schilderijen vervagen hun kleuren en barst de verf van hun ziel. Maar het is fijn te zien dat er elke dag opnieuw zo’n jongetje staat. Klaar om opnieuw te beginnen.

Schilderij van de hand van Catherine Roelant – Pryen.

Rood

Thursday, April 2nd, 2009

Met gesloten ogen zat hij aan zijn bureau en keek voor zich uit. Nu ja, keek…Zijn ogen waren dicht. Hij hield ze dicht. Omdat hij dat wilde. Omdat hij dan zoveel meer zag.  Hij had er nochtans zo hard naar uitgekeken. Nu, na 35 jaar, bleek er een remedie te zijn tegen zijn beperking. Met een bijzondere operatie zou hij eindelijk kunnen zien. Daar waar baby’s hun zicht geheel ontwikkelen na enkele maanden, was dat bij hem nooit gebeurd. Om één of andere reden was hij blijven steken in het “rood”. Hij zag bijna niets en als hij iets zag, dan zag hij vooral wat rood was. De rest ging doorgaans aan hem voorbij. Maar de operatie had hem een volwassen zicht gegeven. Met alles erop en eraan. Hij zag.

In tegenstelling tot wat hij verwacht had, ging er geen nieuwe wereld voor hem open. Hij zag nu wel plots hoe een auto eruit zag of een kopje koffie. Hoe zijn koffielepeltje glinsterde in de zon. Dat glinsteren was wel nieuw. Warmte kreeg een gezicht. En hij zag de gezichten van de mensen die hem aanspraken. Maar iets klopte niet. De beelden van de gezichten stemden niet altijd overeen met wat hij dacht te hebben begrepen. Toen hij nog keek met zijn oren, meende hij te begrijpen wat men hem vertelde. In het bijzonder was hij goed in het detecteren van de emoties in een reactie, een opmerking, een antwoord. Op kantoor had hij zelfs de reputatie dat hij mensen veel beter begreep dan wie anders ook. Hij wist wat mensen echt bedoelden. Hij kon wellicht beter luisteren omdat hij blind was. Maar nu, nu hij hun gezicht erbij kreeg, was hij verward. Hun gezicht sprak soms “vriendelijkheid”, terwijl hun stem woedend was, of teleurgesteld. Meer dan minder was het beeld vaak tegengesteld aan de klank. Zo ook in de vergaderzaal. Iedereen praatte met iedereen. Vroeger kon hij bijna elk gesprek, hoe zeer ze soms ook door elkaar liepen,volgen en begrijpen. Nu had hij ogen te kort om te zien wat er rond hem gebeurde.
En zo kwam het dus dat hij besloten had zijn ogen terug te sluiten, nu weliswaar geheel vrijwillig. Zo zat hij daar, met gesloten ogen in een vergaderzaal, aandachtig te luisteren naar wat er verteld werd. Maar hij onthield heel goed de gezichten. Daar waar een normaal mens vele beelden, impressies en gezichten over de jaren in zijn hoofd verzamelde, waardoor je op je vijfendertigste al makkelijk een hele galerij met enkele honderden portretten in je geheugen zitten had, zo had hij er amper een tiental gezien.
Hij luisterde met gesloten ogen naar het debat en probeerde de gezichten te vergeten. Maar het ging moeilijk. De gezichten dansten voor zijn gesloten ogen.

“Hoe meer je van de buitenkant ziet, hoe minder de binnenkant zichtbaar is”, zei hij.
Zou dat enkel zo zijn met gezichten? Of verborgen al die rapporten ook de werkelijkheid? Hoe meer rapporten, hoe meer cijfers, hoe minder we weten? Is er een punt waar kennis meer verbergt dat ont-bergt? Of is het net omgekeerd? Waren de woorden al die jaren onjuist? En de gelaatsuitdrukkingen echt? En had hij dus al die jaren de echte informatie gemist? Hij was verward. Sinds hij zowel zag als hoorde wist hij niet meer wat echt was. Hij was ontredderd.

Hij opende de ogen. Het licht was te fel en de gezichten spraken opnieuw. Hij probeerde het omgekeerde en hield zijn handen voor zijn oren. Waren de gesprekken nu anders? Hoorde hij andere boodschappen nu zijn oren gesloten waren? Hij zag hoe zijn collega het topje van een balpen oppeuzelde, hoe een ander op het ritme van zijn stem een balpen steeds open en dicht duwde. En de vrouw naast  hem wreef discreet maar met o zo veel spanning in haar handen. Die op de hoek daar, die was helemaal niet akkoord. En toch bleef hij vriendelijk lachen.

Wat zeggen we? En wat bedoelen we? Wat denken we? En wat weten we? Wat geloven we? En wat voelen we?

Hoe goed de operatie aan zijn ogen ook was gelukt, hij zou het nooit echt weten.

De tamme kastanje

Thursday, March 19th, 2009

Achteraan in mijn tuin staat een Tamme Kastanje. Hij staat er vredig naast de Kerselaar en de Appelboom. Voor elke periode van het jaar verse vruchten, dacht ik toen ik ze vijftien jaar geleden liet aanplanten. In dat “bos” staat ook het “kasteel” van mijn zoon, een speeltuig met glijbaan en een balkon dat zich tussen de takken van de Kastanje nestelt. Maar dit doet niet ter zake.

Nu was het crisis in mijn tuin. Mijn appelaar gaf me dit jaar minder appelen dan gewoonlijk en mijn Tamme Kastanje had er al helemaal de brui aan gegeven. Slechts anderhalf mandje kastanjes. Van die platte, amper te eten. Terwijl ik anders verwend werd met emmers vol uit hun voegen barstende noten. Weinig appelmoes, weinig poffen. De appelaar en de kastanje haalden de omzet niet die ik van hen had verwacht. Van de kerselaar verwachtte ik al enige jaren niets meer. Vogels hadden zich de kersen definitief toegeëigend. Als 100% aandeelhouder was mij nochtans een behoorlijk dividend voorgeschoteld door de tuinier die ze aanplantte, tenminste als ik een jaar of vijf geduld kon hebben.  “De eerste vijf jaar geen vruchten”, hoorde ik nog. Maar ik was niet op de hoogte van een nieuwe dip na 15 jaar.

Ik herinner me dat ik eind oktober beteuterd uit mijn “boomgaard” richting keuken wandelde. Maar noch de Kastanje, noch de Appelaar lieten hun takken hangen. Hun kruin was weelderig en trots als altijd. En ook al was ik een teleurgesteld aandeelhouder, ik dacht er niet aan mijn bomen te snoeien nu er toch weinig te rapen viel. Ik liet de takken er wat overbodig bijhangen. Als ik nu de takken zou snoeien, zou het jaren duren vooraleer ik opnieuw vruchten had.

Heel anders rapporteert mijn krant de crisis. De omzet daalt en menig aandeelhouder kijkt tevreden toe als de directie voldoende takken wegsnoeit. Weg dat personeel dat nu toch niets te doen heeft. Zo blijft het dividend gewaarborgd. Geen hond die zich afvraagt hoe lang het zal duren vooraleer de boom terug stevige takken zal hebben die al die vruchten zal kunnen dragen

Een nieuwe job voor Dirk

Wednesday, March 4th, 2009

Dirk had het moeilijk gehad. Hij was in een nieuwe werkomgeving terecht gekomen, en hij kon er eerst helemaal niet aarden. Nog een geluk dat hij een nieuwe job had gekregen. Want na 20 jaar dienst was hij plots uit de rangen gehaald en letterlijk aan de kant gegooid. Zijn collega’s hadden zelfs niet naar hem opgekeken. Ze gingen gewoon verder met hun werk.
Hij herinnerde zich nog hoe hij daar lag. Klaar voor de vuilnisbak. Gelukkig had zijn nieuwe werkgever hem tijdig gevonden en hem meegenomen naar huis.

Dirk is, of eigenlijk moet ik was zeggen, een kermiseend. Je weet wel zo’n felgekleurde plastieken eend met een ring door zijn kop, die je kon opvissen aan het “viskraam” op de kermis. Heel zijn leven had hij doorgebracht in die visvijver van dat kraam. Steeds zwemmend in de richting die de baas hem had opgedragen. Samen met zijn 50 andere collega’s.
Hij had veel kinderen gelukkig gemaakt. Nog altijd hoorde Dirk het gekraai van de dreumes die na vele pogingen toch zijn vishaakje door Dirk’s ring kreeg. Hij nam er de vele klappen tegen zijn kop graag bij. Want zo’n kind, dat mikt niet zo goed.
“De kleinste waren het plezantst”, zei Dirk altijd. Die kunnen immers niet lezen. Dirk had het cijfer TWEE vanonder op zijn lijf staan. Dat is het aantal punten dat de visser verdient door Dirk uit het water te hengelen. En TWEE is helemaal niet veel. Op de hiërarchische ladder van de kermiseenden, is dat de op één na laagste plaats.
De moeders durfden Dirk wel eens teruggooien, om zo hun spruit een nieuwe kans op “meer” punten te geven. Maar die hele kleintjes protesteerden dan vaak heftig. Waardoor Dirk nog meer de liefde van en voor de kleuter voelde. Grote mensen zijn niet lief, ze denken alleen aan de punten. Niet aan het visplezier. Het is nochtans een VIS-kraam, geen PUNTEN-kraam.

En nu zat Dirk te dobberen in een bad, ergens bij een Peuter thuis. De Peuter had Dirk zien liggen op het droge. Zijn ring was kapot. Een kermiseend met een kapotte ring is waardeloos. Bijna werd hij in de vuilbak gekieperd. Totdat die Peuter dus langs kwam. Hij had niet veel geluk gehad bij het vissen. En de viskraamuitbater had Dirk dan maar meegegeven als troostprijs. De Peuter glunderde van trots. Hij had een echte kermiseend.

Dirk zat samen met een badeend en een half verzopen action-man-pop in het bad te wachten op de Peuter, die nog uitgekleed moest worden. Hij moest nog wat wennen aan het schuim. Het prikte wat in zijn ogen.

De badeend had hem al behoorlijk uitgelachen. Dirk, met zijn door de zon verschenen plastieken lijf. Vol krassen van al die haken die ooit naar hem gehengeld hadden. Met een gat in zijn kop, waar ooit de ring had gezeten. En helemaal kompleet werd de hilariteit toen Action Man, die met zijn kop onder water hing, had gelezen dat er een TWEE op zijn onderkant stond. Een miserabele twee. De badeend had smalend gelachen. Het was er eentje van het type met zo’n zwarte zonnebril op. En als je op zijn lijf duwde dan kon je met water spuiten. Coole Badeend.

Dirk was getekend door zijn verleden en dat maakte de start van zijn nieuwe carrière er niet gemakkelijker op. Stilletjes hoopte hij dat de zeep van het bad die TWEE na enige tijd zou doen verdwijnen. Maar wellicht zou dan het kwaad allang geschied zijn. Dan zouden alle badspeeltjes ondertussen wel weten dat Dirk een “TWEE” was.

De Peuter werd in het bad gezet. Meteen greep hij naar Dirk. Voorzichtig nam hij hem op en begon hem te aaien. De peuter zette Dirk neer en gaf hem kleine duwtjes tegen zijn achterste. Dirk deed zijn best om waardig in een kringetje te zwemmen voor zijn nieuwe baas. Die was opgetogen en gelukkig. Coole Badeend kreeg een stamp en vloog over de rand van het bad. Action Man dreef ergens ondersteboven in het schuim. De ogen rood van de zeep. Dirk was de koning van het bad. Dankzij hem was het voor zijn baas nu elke dag kermis. Zelfs de moeder was blij, nu ze eindelijk haar kleine rustig zag spelen. Met een versleten eend.

En Dirk, hij hoopte alleen maar dat die TWEE zou afgewassen zijn tegen de dag dat de Peuter zou kunnen lezen. Ondertussen genoot hij met volle teugen van zijn nieuwe job.

De koning en de hovenier

Friday, January 23rd, 2009

    De koning vond dat zijn hagen veel te laag geschoren waren. De burgers op het plein konden, weliswaar mits enige moeite, over de haag in de tuin van de koning kijken. En dat ze zich die moeite zouden getroosten, was zo goed als een feit. Men kijkt immers graag naar wie rijk is en beroemd. Maar ze waren dus te laag. De hovenier was nochtans onderlegd en zeer ervaren. Hij had voor zijn vader, de Koning Zaliger, de hagen nog eigenhandig geplant.

    De koning won het advies in van zijn adviseur. Deze raadde hem aan meer specifiek te zijn in het geven van de opdracht. “Zeg aan uw hovenier hoe hoog de haag moet zijn, in centimeters.” De raad was helder, toepasbaar en leek de evidentie zelve. Zoals een advies doorgaans was. Hoe hoog moest die haag dan wel zijn? Veel zou afhangen van wie over de haag heen zou willen kijken. Hoe groot is een gemiddelde burger? Zo groot als hijzelf? Neen, men had hem altijd al de Kleine Koning genoemd, omdat hij kleiner was dan zijn vader. Hij vermoedde dat hij zo’n 10cm kleiner was dan het gemiddelde. Maar was hij dit wel zeker? Immers, als hij de hovenier zou zeggen hoe hoog de haag moest zijn op basis van zijn schatting, en naderhand bleek dat men nog steeds de tuin in kon kijken, dan zou hij de schuldige zijn en niet de hovenier. Het advies van de adviseur bleek plots zo aantrekkelijk niet meer.

    De koning dacht een dag en een nacht na over wat hij moest doen. De volgende ochtend riep hij de hovenier bij zich, nog steeds niet goed wetend wat hij hem moest zeggen. Hij zou maar alvast beginnen met het geven van de opmerking dat het werk niet naar behoren was uitgevoerd.

    De hovenier werd binnengelaten. “Ik wou je spreken over mijn hagen” sprak de koning, met een poging om dreiging in zijn stem te laten weerklinken. “Oh, Sire”, onderbrak de hovenier hem, “Heeft u het gemerkt? Ik heb de hagen wat lager gezet dan gewoonlijk. Nu de winter voor de deur staat, komen de mensen minder op straat en is er dus weinig kans op inkijk. Ook u zit minder in de tuin. En door de hagen nu wat korter te scheren, worden ze voller en meer gesloten tegen de volgende lente. Zo bent u straks nog beter beschermd tegen onbescheiden blikken.” “Ik wou u bedanken voor uw vooruitziendheid”, antwoordde de koning na enige aarzeling. Waarop hij de hovenier opnieuw liet gaan.

    12 uur

    Thursday, December 18th, 2008

    Die dag vielen alle klokken stil. Allemaal. Om 12 uur. Tenminste dat dacht men. Want het had even geduurd vooraleer de eerste door had dat de klok was stil gevallen. Alle klokken. Polshorloges, wandklokken, de sprekende klok, zelfs de klokken die alomtegenwoordig van op computerschermen het heden naar je toeschreeuwden. De tijd stond stil. Of meer precies, de cijfers en de wijzers bewogen niet meer.

    Aanvankelijk gebeurde er niets. Zoals gezegd, het duurde zelfs even voor de eerste het door had. Maar toen de eerste het doorhad en dit vertelde aan de tweede, die het aan de derde verder vertelde, toen begon het allemaal fout te lopen. Onzekerheid sloeg toe. Mensen geraakten in paniek. Hoe kon dit gebeuren? Waar was de tijd naartoe? Hoe laat was het nu? Zal ik nog op tijd zijn? Een vraag die compleet haar betekenis verloor. Als er geen tijd is, dan ben je altijd op tijd. Of nooit? Net zoals de tijd al-tijd een grote impact had gehad op mensen, zo bleek de afwezigheid van tijd een gelijkaardige, zo niet nog grotere invloed te hebben. De samenleving viel stil. Iedereen vroeg zich af hoe laat het was. Niemand wou nog verder werken. Bedrijven legden hun productie stil. Kan je immers overwerken als er geen tijd meer is? Treinen verlieten het station niet meer. Was iedereen aanwezig? En moesten we nu wel vertrekken?

    De enige plaats waar activiteit te bespeuren viel, was de kinderkribbe. Geen van de peuters was uit zijn lood geslagen. Geen van de peuters stopte met spelen. De tijd had geen vat op hun spel. Kraaiend van plezier lieten ze wagentjes rondrijden en poppen in wiegen slapen. Hoe lang dit nog zou duren, kon niemand zeggen.

    De gele koffer

    Monday, December 1st, 2008

    “Zie mij hier nu staan”, denk ik plots. Blij als een kind dat Sinterklaas ziet aankomen. Ik heb zoeven vernomen dat ik een prijs gewonnen heb. Een reiskoffer. En dan nog een gele, mijn lievelingskleur. Op wieltjes, want de moderne mens draagt niets meer, hij rolt. Met een gelukzalige glimlach sta ik aan te schuiven met de 39 andere gelukkigen om mijn Sinterklaas-geschenk in ontvangst te nemen. Ik ben op een bedrijfsreceptie. En om de gasten te verwennen werden zonet onder de genodigden een aantal geschenken verloot. En ditmaal ben ik er bij. Het is de eerste keer. De eerste keer dat ik iets win. Ik neem immers zeer zelden deel aan wedstrijden en dergelijke. En nu hoefde ik zelfs niets te doen. Alleen al door aanwezig te zijn, was ik deelnemer aan de tombola.

    Ik schud meewarig het hoofd. Immers, twee uur daarvoor was ik wat sceptisch op de afspraak aangekomen. De afspraak, dat was een typische bedrijfsreceptie met allemaal belangrijke mensen in ernstige pakken, pratend over moeilijke dingen zoals omzet, marktaandeel, carrière, uitdagingen, neen, challenges. Ik had het al een tijdje niet meer op dergelijke events begrepen. Al die gewichtigdoenerij. Ik zit zo in die fase waarbij ik me wat durf te ergeren aan al die poespas. Grootse feestjes, en veel geld om je heen in alle vormen en kleuren. Ik stelde me de vraag wat er schort aan onze managementopleidingen. De bedrijfsbudgetten mogen dan wel gekrompen zijn, we organiseren nog steeds exuberante feesten en kopen dure relatiegeschenken. Mijn moeder kan nog altijd niet begrijpen dat 1.000 EUR uitgeven aan kerstkaarten voor de klanten echt niet veel geld is. Terwijl dat thuis toch al een nieuwe televisie kan betekenen. Waar we toch lang over twijfelen of het nu echt nodig is om die platte tv te kopen. 1.000 EUR is toch 1.000 EUR? En hoewel ik een correct rationeel, financieel en marketing-antwoord klaar heb, moet ik beamen dat we in onze ondernemingen vaak de voeling met de werkelijkheid verliezen.  En dat vroeg ik me dus af. Wat doen we fout? En wat maakt dat we allemaal zo snel die voeling verliezen? Wat moeten we aan onze managementopleidingen toevoegen om te beseffen dat 1.000 EUR echt wel heel veel geld is.

    De cursussen financieel management handelen daar niet over. En de cost accountingopleidingen al evenmin. Want daar leer je vooral in procenten denken. Waar ik mezelf ook vaak op betrap.

    Maar terug naar de observatie. Het ene moment ben ik cynisch om die hoge geldsommen die door de handen van menig bedrijfsmens gaan, vooral als het dient om het uitstalraam mooi te maken, het andere moment dolgelukkig als ik uit dat uitstalraam een koffer in ontvangst mag nemen, onverwacht en zeker onnodig. Zal ik het volgende feestje minder goed vinden als er slechts balpennen en stressballen met logo worden uitgedeeld? Of erger nog, als er niets te rapen valt…ik weet het niet. Maar het risico is er. We willen immers altijd meer. Ik merk dat ik dus even onnozel ben als al die andere maatpakken die daar nu rondlopen op een receptie met een lege gele koffer op wielen.

    Misschien moet ik die koffer gewoon in mijn kantoor zetten. Als permanente herinnering dat 1.000 EUR wel degelijk 1.000 EUR is. En dat gele koffers eigenlijk geen bijdrage leveren tot het succes van mijn bedrijf. De gele koffer vooral als symbool voor de gekheden die zo sterk verweven zijn met onze managementkennis. Geen wonder dat Dilbert, Het Eiland of The Office zoveel succes kennen. De managementrealiteit overtreft de verbeelding op vlak van absurditeit.

    De dingen spreken

    Friday, November 7th, 2008

    Een kast. Een stoel. Een tafel. Hij zag zijn bureau na drie weken voor het eerst terug. En bij het zien van zijn meubilair herinnerde hij zich de laatste stomende vergadering in zijn kantoor. Hij was niet mals geweest. De sporen van het omgevallen glas waren vakkundig weggeveegd door de poetsploeg, maar hij zou het blijven voor zich zien. De tafel zou het hem blijven vertellen.   Zijn computerscherm. Vertelde hem dat hij zoveel had gewerkt. Al die uren turen naar die vele letters. Zijn telefoon. Vertelde hem over zijn belangrijkheid. Hem werd om raad gevraagd. Het tapijt herinnerde hem aan zijn secretaresse. De discussie over de juiste kleur. De deur. Vertelde hem over de afstand tussen hem en zijn personeel. De deur had een hoge drempel. Hij keek rond en zag dat de dingen spraken. Ze vertelden hem zoveel over hemzelf.

    Het was hem nog nooit eerder opgevallen. Maar nu, na drie weken afwezigheid, hoorde hij hun taal. Hij had besloten vroeg te komen op zijn eerste werkdag na de vakantie. Voor één keer de files voor zijn en van de gelegenheid gebruik maken om de uitpuilende mailbox een eerste maal te aanschouwen. Het was 7u. Het was stil. Hij keek naar het schilderij op de muur. Het vertelde hem over zijn voorganger en diens gebrek aan goeie smaak. Die had het daar opgehangen en hij had nooit de moeite genomen om het weg te nemen. Ook al vond hij het aartslelijk. Hij keek al twee jaar op een schilderij dat hij verschrikkelijk vond. Was dat nu een teken van karakter of van luiheid.

    Hij wandelde zijn kantoor uit en het magazijn binnen. De heftruck vertelde hem over de werkijver van zijn oude magazijnier. Hij moest dat jubileumfeest voor Gerard nog organiseren.  De rollen kleefband fluisterden hem de naam van de nieuwe inpakker. De eerste verzending was bij de verkeerde klant terecht gekomen. 2340 km verkeerd. Hij glimlachte. Maar toen niet. Voor zijn vakantie was dit de basis geweest van een te luide uitbrander. Nu moest hij erom lachen. En tegelijkertijd schaamde hij zich voor zoveel commotie om niets. De vakantie had voor perspectief gezorgd. Het lege rek zei hem dat zijn leverancier nog steeds zijn goede voornemens niet was nagekomen. En het magazijn zelf vertelde hem dat zijn boekhouder te ernstig was. Zijn voorraad was te groot. De boekhouder kreeg er nachtmerries van. Terwijl zijn klanten dolgelukkig waren met de levertermijnen. Maar voor geluk is er geen rekeningnummer.

    Hij keek rond en hoorde zijn bedrijf. Het bedrijf leeft. Tegen 8u30 komen er weer 67 mensen toe die met en voor hem twee vrachtwagens per dag zullen produceren. Twee vrachtwagens.  Voor zijn vakantie leek dit een contractuele evidentie. Nu ziet hij hoe uitzonderlijk dit is. Niet in de arbeidsovereenkomsten maar in de lange stok met ijzeren haak, die een oplossing blijkt te zijn om rollen die bovenaan de machine af en toe vastlopen, een tik te geven. Eenvoudige creatieve oplossingen die illustreerden hoe men bekommerd is om het werk. Hoe men trots is op zijn taak. En dat gebeurt allemaal vanzelf. Zijn afwezigheid heeft hem bevestigd dat het niet aan hem ligt. Maar aan de mensen zelf. Waarom die drang? Waarom wil men zich inzetten? Vanwaar komt die tomeloze energie? Hij las er een boek over, maar het gaf hem geen antwoord.

    Het leven leeft. Niet alleen in de natuur of in een plant of een boom. Maar ook in een ding. Een werkinstrument.  In een verpakkingsmachine, een computerscherm, een koffiezet, een versleten deurknop, een scheefhangend parkeerbordje en uiteraard in de foto’s op zijn bureau. De foto’s. Hij had de foto’s op zijn bureau vervangen door nieuwe van zijn laatste vakantie.  Hij hoorde zijn zoon, de foto links, vragen: “spelen we straks voetbal?” En de rechterfoto zei: “hou je nog van mij?” Hij was verrast geweest van die vraag op die warme avond op een terras. Hoe lang zou de foto het volhouden om hem te zeggen dat hij nu toch naar huis moest gaan?
    Het loont de moeite om na de vakantie eens te luisteren naar de dingen op kantoor. En te ontdekken wat ze je al die jaren reeds zegden.