Archief voor ‘Uncategorized’ Category
Veerkracht
Hij zat op zijn knieën onder zijn bureau. Tenminste, onder zijn oud en versleten tafeltje. In het halfduister tastte hij naar het spiraalveertje uit zijn balpen. En dat voor de derde maal, stel je voor. Drie keer na mekaar had hij aan zijn pen zitten draaien en prutsen waarna de huls vooraan losschoot, het veertje er van tussen vloog en van de tafel rolde, aan de achterkant langs Murphy’s muur uiteraard, om dan ergens op de grond neer te komen onder zijn bureau. Opstaan, kruipen, zoeken, tasten, vinden, terug gaan zitten, vastdraaien, zich opnieuw zenuwachtig zitten opwinden aan zijn tafel, losdraaien, losschieten, wegspringen, vallen…en dat drie maal na mekaar.
En het was daar, de derde keer onder dat bureau, zijn handen in het stof, dat hij niet alleen het veertje maar ook de moed terug vond om weer aan de slag te gaan. Zijn frustratie was plotsklaps verdwenen. Zijn fierheid kwam terug, samen met zijn beroepsernst. Zelfs zijn motivatie kwam al om de hoek kijken.
Drie maanden geleden was de eerste werkdag van zijn fabriek, onder bewind van de nieuwe eigenaars, een feit. Zijn bedrijf smolt samen met een voormalige concurrent, meerdere malen groter dan zij. Met deze fusie waren ook een pak interne procedures veranderd. Zo was de aankoop van de smeermiddelen gecentraliseerd om de prijs te drukken. Dergelijke centralisatie betekende echter een langere aanvraagprocedure om nieuwe emmers smeerolie en vetten te bestellen. Meer bazen, meer handtekeningen, meer tijd. Na één maand was dit al voelbaar in zijn fabriek, ver weg van het hoofdkantoor. Vier technische storingen tengevolge te weinig smeervet. Vakman als hij was had hij, na meerdere pogingen om zijn aanvraag te versnellen en vast te stellen dat je het gevecht tegen de administratie niet kon winnen, besloten om gewoon wat meer te bestellen dan nodig was. Zo had hij een klein extra voorraadje in eigen beheer voor noodgevallen. Zin voor initiatief gecombineerd met de liefde voor zijn vak. Hij werd wellicht de werknemer van de maand.
Gisteren kreeg hij echter een boze telefoon. Hij werd verwacht bij de lokale fabrieksdirecteur. Hoe het kon dat de onderhoudskosten plots 25% waren gestegen? Waarom hij nu al drie maanden zoveel meer materiaal bestelde dan vroeger? Hij hoorde zelfs een kleine zweem van wantrouwen. Dacht die directeur misschien dat hij in zijn garage thuis een klein productielijntje had staan? Het was wellicht zijn verbeelding. Hij probeerde uit te leggen dat de bestelprocedure een kwart langer duurde dan vroeger en dat hij dus meer smeermiddelen op voorraad nam om problemen te vermijden. Hij wees op de pannes van de eerste maand. Met iets tussen onverschilligheid en een blijk van begrip knikte de directeur, om daarna afgemeten op te merken dat het niet zijn taak was om zomaar de regels vrij te interpreteren. Hij had zijn probleem moeten melden. Dat hij dit geprobeerd had, werd niet gehoord. De directeur luisterde niet. Enigszins neerbuigend zei hij dat hij natuurlijk niet kon beseffen dat hij hierdoor de verhoopte kostenbesparing gewoon onderuit had gehaald. Schrappen dus die grote hoeveelheden op de bestelbon. Kleine voorraden, Just In Time. Lean en Mean. Zo hoorde het. Het Mean klonk harder door dan het Lean.
Het was na zijn bezoek aan de directeur dat zijn balpen het moest ontgelden. Totdat het veertje hem de weg toonde. Hij kon nog tien keer de veer oprapen, de veerkracht zou niet veranderen. Waarom zou hij zich dan wel laten gaan?
Glimlachend nam hij 2 bestelbonnen. De eerste vulde hij in met de juiste minimale hoeveelheid. De tweede vulde hij al in om overmorgen te versturen, met dezelfde minimale hoeveelheid. Hij deed wat werd gevraagd. Minder smeervet op de bestelbon. Maar nu wel meer bestellingen. Zijn machines moesten immers blijven draaien.
21u15
“Wat ben je aan het doen?” vraag ik hem.
Ik wacht op jou, was zijn antwoord. Hij zat rechtop in zijn bed, te wachten. Rustig. Gewoon. Te wachten. Het verraste me enigszins. Hij heeft immers niet zo’n rustige natuur, zeker niet als het op zijn bed aan komt. Dan is hij zelden moe als het bedtijd is. 10 jaar. Dan is het bed altijd een landschap vol avonturen, die opduiken voor het slapen gaan.
Ik schrok ook omwille van de eerlijke onschuld van zijn antwoord. Hij was inderdaad aan het wachten op mij. Niets meer, niets minder. Geen verwijt, geen verontwaardiging, zelfs geen teleurstelling, nog niet. Het raakte me, hard en diep. Hoe vaak hoor je een volwassene zeggen dat hij wacht, zonder verontwaardiging?
We hadden om 21u afgesproken aan de rand van zijn bed. Het was immers vakantie. Dan mocht het iets later zijn. Sedert december lezen we, aan een ritme van ongeveer vier dagen per week, samen een boek. Twee hoofdstukken per avond, zo’n 15 à 20 bladzijden. 20 minuten. Ik lees voor, hij leest mee. Het is een ritueel dat zijn eigen plek heeft gekregen. In het half donker met enkel een nachtlampje op de tafel en een leeslampje naast het bed, lezen we de jeugdboekenreeks Torak en Wolf. Het verhaal, mijn stem, de nacht. De wereld van Torak komt dan tot leven. We zitten al aan het tweede boek.
Het was 21u15. Ik was te laat. Maar er was geen verwijt. Ik was te laat omdat ik deed wat volwassenen vaker doen. Voortdoen met wat ze bezig waren. Werken of nog snel het nieuws lezen, of zoals in mijn geval, mijn houtbewerkingsatelier opruimen. Ik zit er vaak de laatste tijd. En ik zit er graag. Zo graag, dat ik mijn zoon liet wachten. Ik had de keuze. Zoals we vaak de keuze hebben. Maar ik liet hem wachten. Ik had vroeger kunnen stoppen en onze afspraak respecteren. Het is een tip die ik, als adviseur in samenwerking, wel vaker geef. “Met simpele dingen toon je het meeste respect en bouw je de beste samenwerking. Door bijvoorbeeld op tijd te komen.” Ook mijn zoon lees ik wel eens de les. En hij laat het zich doorgaans welgevallen. Ik ben de leraar. Ik weet hoe het moet en dat denkt hij ook.
Maar nu las hij me de les. Ongewild en onwetend. Door te doen wat ik zo vaak vraag. Hij was op tijd. Had hij maar gezegd “was je weer aan het werken?” Of zelfs “je bent weer te laat, papa!” Maar nee, hij suggereerde niets, niet met woorden, niet met zijn stem, niet met zijn houding. Hij vertrouwde erop dat ik er ging zijn. Ook al had hij de ervaring dat ik soms wel verzonken ben in mijn eigen wereld. Hij wachtte.
De leraar en de leerling. Ik ervoer plots wat het betekende: “de leraar en de leerling bewandelen naast elkaar het pad.” Hij grijpt ’s ochtends, als we naar school stappen, nog vaak naar mijn hand. Ik dacht al die tijd dat ik hem leidde, maar misschien en wellicht is het ook omgekeerd. De kracht van eerlijke onschuld. Of mildheid. Ik hoop dat hij het niet afleert.
Over komkommers en bananen
Vanuit zijn ooghoek keek de banaan naar het kind. Het kind liep naast haar moeder, met een winkelkarretje op kinderformaat. De moeder met een kar op moederformaat. Het meisje had een vlaggetje op haar kar, de moeder niet. Jammer, dacht de banaan, de moeder zou zo’n uitbundigheidje ook wel fijn vinden op haar tocht langs de rekken. Ze las de gedachten van de moeder, want dat konden bananen. Daarom was ze ook krom. De kromming zorgde ervoor dat ze gedachtegolven kon opvangen.
Af en toe vragend, nam het kind een stukje kaas, een brikje chocolademelk, dat het telkens glunderend in haar karretje deponeerde. Ze kreeg telkens het goedkeurend knikje, dat ze zocht, van haar mama.
Haar favoriete yoghurtpotjes stonden mooi op een toren gestapeld, in promotie. Mooi maar niet kindvriendelijk, want het meisje graaide naar een set potjes die binnen haar bereik lagen, maar die tevens de basis vormden van de toren. De toren stortte in. Een oorverdovend lawaai, de yoghurt spatte in het rond.
Het meisje schrok maar vergat te huilen. De moeder schrok ook, keek om, zag de ravage. Tussen de potjes stond haar dochter, met stukjes in yoghurt geweekte passievrucht in het haar. “Oei, wat is hier gebeurd?” vroeg de moeder. Ze werd niet boos. Ze kende haar dochter. Dit was een ongeluk, onbedoeld, onvoorzien. Het meisje was te onthutst om te antwoorden.
Een voorbijgangster kwam voorbij en keek afkeurend. “Nog zo één die kinderen niet kan opvoeden”, hoorde de banaan ze denken. “Ze moeten hun handen leren thuis houden hé, mevrouw”, snerpte de voorbijgangster. De moeder keek op en wist niet goed wat te zeggen. Haar dochter had een ongeluk gehad en niets fout gedaan. Maar de vrouw van antwoord dienen, vond ze niet de juiste reactie. Niets zeggen ook niet, want zwijgen was toestemmen en dat was ook fout. En toen kwamen de tranen. Het meisje huilde. Niet alleen had de moeder een jurk schoon te maken. Haar moeder kreeg nu nog een opmerking door haar toedoen. “Goeie zet”, dacht de banaan cynisch, “je hebt het kind aan het huilen gekregen.”
De winkelbediende kwam ter plaatse en hoorde nog net de opmerking. “Heb je je geen pijn gedaan?” vroeg ze. Haar aandacht ging eerst naar het kind. “Ik had al gedacht dat ik die toren hier niet had moeten zetten”, zei ze tegen de moeder.“Maar kijk, nu weten we het zeker.”
“Kom maar mee”, zei ze tegen het kind, “we gaan die yoghurt eens uit je haar halen, niet?” Ze stopte het kind een koekje toe. De tranenvloed stopte.
De rest van de namiddag lag de banaan zich af te vragen hoe het kwam dat de winkelbediende de situatie juist had ingeschat en de voorbijgangster niet? Het zal ook aan de kromming liggen, dacht de banaan. De winkelbediende stond wat voorover gebogen en kon wellicht de gedachten opvangen van het kind. De voorbijgangster had stokstijf en misprijzend uit de hoogte toegekeken. Evident dat ze niet begreep wat er aan de hand was.
Met de komkommers is het ook altijd zo. Die liggen daar ook altijd asociaal te wezen in het rek. Geef mij maar de gezelligheid van een tros bananen, dacht de banaan en hij nestelde zich tegen zijn soortgenoot.
de kracht van ont-moetingen
Ik ontmoet haar op een zonovergoten terras in de lente. Geduldig wachtend zit ze een boek te lezen. Ik ben, zoals vaak gebeurt, te laat. Nu was het de trein uit Londen die vertraging had, maar het is eigenlijk altijd wat.
Het boek blijkt voor mij te zijn. Ik bedank voor het boek, leg het opzij, ons gesprek vangt aan. We kenden elkaar enkel via de tegenwoordige vele virtuele netwerken op het internet. We praten heel even over de gebruikelijke koeien en kalveren, over onze ervaringen in het netwerk en dan over ons werk en discreet over onze klanten. We merken dat we veel gemeenschappelijk, maar ook veel verschillend hebben.
In een uurtje tijd leer ik een hele nieuwe wereld kennen van methodes, modellen, schrijvers en adviseurs die, op hun wijze, vergelijkbare klanten met vergelijkbare problemen helpen. Ons gesprek had geen doel, behalve zomaar kennismaken in de zon. Er moest niets. En er kwam veel. Nieuwe inzichten, nieuwe ideeën, nieuwe pistes om over na te denken.
Onze ontmoeting was een les in ont-moeten. Inzicht krijgen in elkaars visie en beseffen dat wat we dachten dat moest, misschien helemaal niet moet. Ik dacht aan Naema Tahir, de schrijfster, die in een interview met MO-magazine over “ontmoetingen” zegt: “ze doen je beseffen dat het mogelijk is om op een andere manier te leven dan de jouwe, dat je niet uitverkoren bent.”
En ze heeft gelijk, denk ik dan.
Ik herinner me het TV-programma “Op gelijke voet”, waarbij een directeur of manager zich gedurende een week tussen zijn mensen gaat begeven en mee de afwas doet, mee de post bedeelt, mee de fabriekshal schoonmaakt. Dergelijke ontmoetingen brachten inzicht, waarna veel “moetens” niet meer moesten omdat ze voorbijgestreefd of ronduit fout waren. Dergelijke ontmoetingen waren zo krachtig dat ze binnen de week investeringen veroorzaakten in een nieuwe machine of in een aangepaste werkplek. Krachtiger dan welke sterkte/zwakte-analyse of investeringsplan ooit zou kunnen zijn. De ontmoetingen hadden iets ont-moetend.
Ik dacht aan de “Speaker’s Corner” die een klant organiseerde in zijn kantine voor zijn medewerkers. De “Speaker’s Corner” was een plek en moment tijdens de lunchpauze waar alle medewerkers een presentatie mochten komen geven over om het even welk onderwerp. Bedrijfsgebonden, persoonlijk, het maakte niet uit. Als het maar goed was voorbereid en maximaal twintig minuten duurde. Bedoeling was mensen meer te laten luisteren naar mekaar. Zonder meer. Het was een ont-moetingssessie. En iedereen stak er van op. Veel projecten kregen extra tips en hulp, vaak uit onverwachte hoek.
Ont-moetingen. We zouden het meer moeten doen. En het klinkt zoveel beter dan “netwerken”. Terwijl bij netwerken de klemtoon op het woordje werken ligt, zo voel je bij ont-moetingen eerder dat niets hoeft en alles kan.
Bluesette
Na zestig jaar besloot hij om toch nog maar wat te oefenen. Die laatste hoge noot gisterenavond kwam niet zoals hij het had gewild. Iets te vroeg, te weinig aangeblazen en daardoor te kort waardoor de melancholie, die het moest vertolken, niet geheel de zaal in werd gestuurd. Was het de zaal, of eerder de tent en de donderwolken die toch begonnen op te komen? Of de drummer die even had gehaperd in zijn solo, net toen hij moest invallen? Of lag het toch aan hem? Beter zeker zijn en nog wat oefenen.
Hoe deed hij het toch? Zestig jaar volhouden om te oefenen. En dan nog op één instrument, amper een hand groot. Zijn houding was er één van permanente bescheidenheid. Eerbiedig voor het instrument, zijn ziel, de compositie en de andere muzikanten. Hij was uiteraard fier op zijn prestatie en enige ijdelheid was hem niet vreemd, anders deed je zijn beroep niet. Maar die beroepstrots, dat meesterschap vertaalde zich niet in het label “expert”, zelfs niet in “senior”-ikweetnietwat. Gewoon muzikant. Jazzmuzikant om meer precies te zijn.
Hij werkt voor studio’s en orkesten. Dirigenten en producers zwaaien de scepter. Vroeger durfde er al eens eentje zeggen wat de muzikant moest doen. Waar hij op moest oefenen. Of erger, dat hij maar best van instrument zou veranderen, als hij er zijn toekomst zou willen van laten afhangen. Nu niet meer. De tijd bewees dat boven strategisch inzicht, boven de noden van de studio, de persoonlijke passie voor het vak regeerde.
Je kan een aap niet leren aardbeien eten als hij liever bananen lust. Je kan hem wel laten kennis maken met de aardbei en dan nederig toekijken of de nieuwe vrucht gesmaakt wordt. Met geduld. Als de vonk overslaat, komt de rest vanzelf.
Geen ingewikkelde ontwikkelingsplannen. Geen uitstippelde route. Maar een vuur dat niet te doven is. Een passie voor het instrument en de interpretatie. Gewoon spelen en oefenen. Vooral veel oefenen. Door het passioneel te oefenen ontstaat een symbiose tussen mens, instrument en muziek. En uiteindelijk ook de toehoorder. Elke producer weet dat hij daar geen hand in heeft. Dit is de muzikant die aan het werk is zoals een muzikant aan het werk hoort te zijn. Klaar staan als het eens een mindere avond was, om de ziel van de performer die hij toch zo kwetsbaar openstelde, op te vangen. Dat is het enige dat hij kan en moet doen.
Competentie begint bij passie en groeit door de competentiehouder voorop te stellen. Voorop. Dat betekent op de eerste plaats.
Vaders en zonen
“k ben thui-uis!”, riep hij zoals gewoonlijk. De achterdeur van het huis sloeg dicht, zoals gewoonlijk. Iets te hard, maar niet brutaal. Zijn boekentas vloog in een hoek van de keuken, daar waar hij altijd vloog. Ik hoorde hem mijn bureau binnenkomen en draaide me om. Hij vloog me rond de nek, zoals gewoonlijk. Zijn ijskoude wangen tegen de mijne. De winter had eindelijk toegeslagen, in deze warme decembermaand.
“Gaan we een vieruurtje eten?” vroeg hij. Zoals altijd gingen we de keuken in. Hij ging zitten, ik nam de koeken, of de yoghurt, de versgemaakte chocolademelk, met echte cacao, zoals hij er altijd bij zei. Het was een ritueel dat zich had ontwikkeld het afgelopen jaar. Het jaar van de crisis. Het jaar waarin veel mensen hun werk verloren, maar waar tavernes, cafés en concertzalen toch nog altijd vol zaten. Een vreemd jaar, 2009. Crisis, dat betekende voor mij meer tijd thuis dan bij de klant. Want ook mijn klanten probeerden het dit jaar liever alleen dan met het verhaal dat ze mij anders graag lieten vertellen. Meer thuis, minder inkomsten, meer bezorgdheid. Maar dus ook meer vieruurtjes. Van twee keer per maand vroeger, naar bijna twee keer per week nu. En ook al was de economische meerwaarde ervan gering, ik keek er ondertussen al naar uit vanaf vier uur. Want om kwart na vier kwam hij thuis. De school was een straat verder om de hoek.
We aten onze koek, dronken onze warme chocolademelk, met echte cacao. Daarna gingen we beiden terug aan het werk. Hij zijn huiswerk, ik het mijne. Er moest gelukkig nog altijd wel een lezing of opleiding worden uitgewerkt of aangepast. Toch klanten. Hij installeerde zich voor de tv met koptelefoon. Het zijn moderne tijden, mevrouw. Zo kan ik doorwerken in een kamer die grenst aan het salon en voelen we ons, hoe dan ook, toch samen. Want daar alleen zitten, dat vindt hij toch niet zo fijn.
Vaders en zonen, het is iets vreemds. Een relatie vol liefde, maar ze zeggen het niet zo graag. Liefde met grote L past evengoed bij man met M van macho als … Ze praten er niet graag over en tonen het meestal niet zo vaak. Mijn zoon gelukkig nog wel. Hij aarzelt niet om te zeggen hoe graag hij me ziet. En een knuffel behoort tot zijn dagelijks werk. Wat zeg ik, meerdere keren per dag. Ik niet. Ik ben niet zo aan dit gefrikkel. Ik herinner mij geen dergelijke momenten met mijn vader. Een stoere schouderklop, ja dat wel, of die eerder ruwe houthakkersomhelzing met de bijhorende bons op de rug op momenten van intens verdriet, zo van “mannen begrijpen elkaar zonder woorden”. Maar toch laat ik de knuffel van mijn zoon mij welgevallen. Ik ben zijn held. En ook in die rol nestel ik me graag.
Hoelang dit nog zo blijft, weet ik niet, maar ik weet wel dat er een vervaldatum op het heldendom staat. Tenminste, op een bepaald ogenblik zal ik niet cool meer zijn en dat zal toch wel even zo blijven. Totdat hij mijn plaats zal hebben ingenomen en, als de relatie al die jaren niet brak, dan keert de voorbeeldrol terug. Hij zal dan de actieve speler zijn in de samenleving en ik zal toekijken. En ik zal opnieuw zijn voorbeeld zijn. Zoals nu het geval is met mij en mijn vader. Vanuit zijn stoel aan de zee observeert hij mijn doen en laten. Ik herinner me nog als gisteren wanneer de rollen plots omkeerden. Er moest een computer geïnstalleerd worden en mijn vader vroeg mijn hulp. Ik weet nog hoe ik wakker schrok bij die vraag. Ik had altijd zijn advies gevraagd en nu was dit andersom. Later kwamen daar enkele fysieke taken bij, die ik beter kon uitvoeren dan hij. Ik merk dat ik zelfs nu moeite heb om neer te pennen dat ik iets “beter” kan. Het klopt niet. Ik voel nog steeds de schroom om te zeggen dat ik iets beter kan. En wellicht is ze overbodig, die aarzeling, want vorige week heb ik zelf voor het eerst ervaren dat mijn zoon iets “beter” kan. Hij leerde me opnieuw waar je het trema moet plaatsen op woorden waarin lettergrepen gescheiden worden door klinkers. Het trema, dat zijn die twee vervelende puntjes die je’ soms’ op een letter moet zetten. En ook al schrijf ik veel, ik aarzel iedere keer opnieuw als ik ze kwijt moet. Ik ben nu eenmaal een schrijver-bricoleur. Maar nu niet meer, mijn zoon heeft het me geleerd. Leerstof voor de vijfde klas. En vorige week liepen we door een speelgoedwinkel en ook daar leerde hij mij nieuwe dingen ontdekken. Nu al word ik ingelopen, maar ik vind het niet erg. Integendeel, het voelt fijn aan mijn zoon te zien groeien. Een gevoel dat verder gaat dan de houthakkersomhelzing.
Vaders en zonen, het is iets vreemds. Je kan het moeilijk benoemen. Dochters zeggen soms dat hun moeder hun vriendin is geworden, of andersom. Of dat zo aanvoelt kan ik, de facto, niet weten. Maar ik heb zonen nog niet horen zeggen dat hun vader hun vriend is, hun makker. Straks wordt er weer één herboren. Een zoon, in die stal. En kan het allemaal weer opnieuw beginnen. Vaders en zonen, het is een ongrijpbare relatie. Het is wellicht daarom dat ze zeggen “in de naam van de vader, de zoon en de heilige geest, amen”.
De boom
Met een tevreden blik en een voldaan gevoel van nuttigheid staar ik naar mijn loepzuiver gazon dat er in dit herfstweer wat nat bijligt. Het is november. En dan vallen de bladeren van de bomen. Zo wil het cliché en zo is het. Ook al meldt de weerman, enigszins onheilspellend, dat we gisteren de warmste nacht, 13° C!, voor deze periode van het jaar net gehad hebben. En dat sedert 1938.
Het vallen van het blad betekent het oprapen van het gevallen blad. En dat deed ik dus deze ochtend. Gewapend met een te dikke jas, het was immers te warm, hark en raap ik. Ik voel me een echte tuinprofessional met mijn bladzuiger in de aanslag. Geen blaadje, hoe klein ook, ontsnapt aan mijn bijna dwangmatige schoonmaakzucht. Kraaknet. Zo ligt mijn tuin er nu bij. Te net eigenlijk om nog de herfst te vertolken. Mijn tuin is een acteur met een ongeloofwaardig kostuum in een ongeloofwaardige rol. En het publiek lacht. Het lacht om mijn tuin, maar nog meer om mijn tevreden blik. Straks, als de winter voorbij is, staan honderden jonge groene blaadjes opnieuw klaar om de wereld te overspoelen. Om dan zes maanden later afgepeigerd mijn gazon terug bruin te kleuren. De boom lacht. Met mij en mijn bladzuiger. Tenzij een gewestplan hem weghakt, zal de boom jaren nadat mijn bladzuiger al lang in het containerpark is terecht gekomen, zelfs nadat er ook over mij niet meer zal gesproken worden, nog steeds groene bladeren produceren dat het een lieve lust is. De wereld zal dan eens groen en dan eens bruin zijn. Zo was het en zo zal het wellicht nog lang zijn. Ook al wordt het ’s winters al eens warmer. Geen bladzuiger kan daar tegen op.
Moeder Aarde lacht. Ze lacht om mij en mijn misplaatst gevoel van nuttigheid. Ik voel me nuttig omdat ik mijn tuin bladvrij heb gemaakt. Voor even. Terwijl de boom zijn hele leven de zuurstof produceert die ik nodig heb. Nuttigheid. Het is een gek begrip dat de boom niet kent. En ik helaas wel. Het plaatst een barrière tussen mij en de natuur. Nuttigheid wordt geprezen. We bejubelen de nuttigen, we verachten de nuttelozen. Terwijl de boom boom staat te zijn, zich niet afvragend wat hij nu eens zou doen. Zou een beetje minder nuttigheid niet beter zijn?
En terwijl ik geniet van mijn nuttigheid, valt er achter mijn rug, opnieuw een blad van de boom.
De triangel
De dirigent keek bezorgd door het raam. Het concert was net afgelopen en alhoewel het publiek het orkest had beloond met een staande ovatie, wist hij dat het niet perfect was geweest. Die nieuwe, daar was nog werk aan. Alhoewel, kon je dat oplossen?
Het was het eerste concert met een nieuwe muzikant die de triangel speelde. En alhoewel het instrument zowat het kleinste was van het orkest, slechts drie klanken voorbracht, en meer niet werd bespeeld dan wel tijdens een concert, had de triangel voorheen een bepalend effect gehad op het orkest. Niet in het minst omdat de triangel, hoe klein hij ook was, overal doorheen klonk. Met hemelse zuiverheid kon je de triangel horen tot op de achterste rij in het concertgebouw. Je kon dus maar zorgen dat je op het juiste moment op de triangel tikte.
Maar daaraan lag het niet. De nieuwe muzikant kende zijn vak. Hij beroerde de metalen driehoek met wiskundige precisie. En misschien was dat het probleem. In het concert dat die avond gespeeld werd, kwam er net een moeilijke pianopartij vlak voor zijn “ting”. En de pianist had de neiging altijd een beetje te vertragen waardoor de triangel ook wat later moest komen. Maar dat aanvoelen, dat had de nieuweling niet. Hij miste de ervaring met het orkest. Iets wat je niet op de schoolbanken kon leren.
Maar nog belangrijker was de rust die de oude triangelaar al die jaren had uitgestraald, daar achteraan op de laatste rij van het orkest. Als een soort gespiegelde dirigent had de vorige triangel-speler, de andere slagwerkers en zelfs een deel van de kopers altijd gesteund met een rustig gebaar, een fluisterend woord. Ook al bespeelde hij het kleinste dingetje, hij had vroeger gespeeld bij de grote Von Karajan. Maar hij was al die jaren, zoals zijn instrument, bescheiden gebleven, respectvol naar iedereen rondom hem. De spanningen die tijdens een concert al eens naar boven kwamen als er al eens fout werd gespeeld, had hij altijd met een milde glimlach kunnen bezweren.
En het was die spanning die de dirigent had gevoeld tijdens het concert. De souplesse van weleer was er niet. De noten waren noten gebleven, juist gespeeld, maar daarmee was het nog geen muziek. De kennis was er, maar de rest nog niet.
Over geloof
De marathonvergadering was op zijn einde aan het lopen. Gedurende meerdere uren hadden de advocaten van de directie gebakkeleid met de vertegenwoordigers van de vakbonden. Het resultaat was een tien bladzijden tellende lijst van zeer concrete afspraken. Afspraken die de zekerheid zouden geven waar de werknemers al zolang op wachtten. De directeur had al die tijd in stilte zitten luisteren. Hij was er niet gelukkiger bij geworden. Het probleem lag niet direct bij de rechten en plichten die men klinisch had opgelijst en ook niet bij de cynische opmerking van zijn eigen advocaat toen die suggereerde om de ontslagpremie toch wat lager te zetten en in ruil een doosje prozac als afscheidsgeschenk te geven.
De directeur nam het woord: “Dames en Heren, de sluiting is onvermijdelijk, dat weten we en deze afspraken hier bieden de gevraagde zekerheid. Het is echter mijn bedoeling in schoonheid te eindigen. Het is belangrijk om te weten wat de afspraken zijn, maar het is zoveel mooier om te geloven in wat je niet kunt afspreken. Kunnen we het daar nu ook eens over hebben?”
Waarna het stil werd en het gezelschap voor het eerst reflecteerde in plaats van na te denken.
Schuim of vertrouwen?
Het schuim liep langs de rand van het bad omlaag. Het water stond op 4 vingers van de badrand. Veel mocht ze niet bewegen om geen zondvloed te veroorzaken. Maar het voelde o zo zalig aan. Warm water, geurende en vooral schuimende bad-gel en dit na een omslachtige vlucht en een helse rit met de bus door sneeuw en ijs. In een onbekende stad, in een onbekend huis.
“Wat is het toch anders”, lag ze te denken, terwijl ze het interieur opnieuw in haar opnam. Anders…Anders dan op haar werk bedoelde ze dan. Overdag was ze HR-medewerker bij een multinational. En ’s avonds danseres. Overdag ernstig en ’s avonds luchtig? Of was het andersom. Dat dacht ze vaak. Ze nam haar dansen ernstig. Geen klassieke dans, maar vrije expressie om het lichaam te laten leven. Wat is er belangrijker dan aandacht aan het lichaam schenken? “Je lichaam je groot verstand, je hersenen je klein verstand”, zei Nietzsche.
Anders… Haar job bestond eruit het Compensation & Benefit-plan van het bedrijf te beheren en dit aan de werknemers uit te leggen. Dat uitleggen betekende vooral weer eens de medewerker overtuigen dat er geen addertjes onder één of ander contractueel voorstel zaten. En controleren of de medewerker geen loopje nam met de regels rond de onkostennota’s, gebruik van GSM en diets meer. Want regels zijn er immers om omzeild te worden.
Ze lag in een vreemd bad in een vreemd huis van iemand die ze amper kende. De maand ervoor had ze op een dansworkshop een buitenlandse danseres leren kennen. Toen ze beiden ontdekten dat ze naar hetzelfde dansfestival gingen in Stockholm, werd ze prompt uitgenodigd om bij haar te komen logeren. Alleen, de buitenlandse danseres zou er zelf niet zijn. Zij overnachtte met haar ensemble in een hotel. Maar de sleutel zou bij de buurvrouw liggen die op de hoogte zou zijn.
Het was vreemd, zo maar binnen komen, heel alleen in een huis dat je niet kent. Op zoek naar de lichtschakelaar. Ontdekken waar de verschillende vertrekken waren.
Het was inderdaad helemaal anders. Hoe ze van een wildvreemde het directe vertrouwen genoot om zomaar een huis te betrekken, zonder contracten, zonder procedures.
Ze stelde vast dat dit vertrouwen had geresulteerd in een groot respect voor het huis dat ze betrad. Ze liep er in rond alsof ze in een porseleinkast zat. Helemaal anders dan de hotelkamer waar je ongegeneerd met je schoenen op het bed ploft omdat je deze immers via een overeenkomst tot de jouwe gemaakt had voor een nacht. Wat vertrouwen allemaal niet kan doen…
Er waren geen deuren in het huis. Geen binnendeuren wel te verstaan. Die had de danseres laten verwijderen. Wel een buitendeur, hoewel die niet echt naar buiten leidde. De studio van de danseres was immers een onderdeel van een groot herenhuis dat door drie bewoners werd bewoond. Elk zijn eigen leefruimtes, maar met een gemeenschappelijk toilet en badkamer op de gang.
Omdat de danseres op haar privacy gesteld was, had ze toch een eigen bad in haar deel van het huis geïnstalleerd. In de keuken nota bene. Een oud gietijzeren ligbad, geplaatst op betonblokken, omdat de afvoer er onderdoor moest kunnen. En met een darm werd het water van het spoelbekken omgeleid naar het bad.
Daar lag ze dan. Naakt in een vreemd huis in een keuken in een ligbad op blokken, zonder binnendeuren. Ze had toch even getwijfeld of ze wel een bad zou nemen. Maar de geur van het vliegtuig zat teveel in haar ranke danslijf. Dan toch maar het bad in. Maar wel met veel schuim. Je wist immers maar nooit…haar vertrouwen was dan toch nog niet zo groot. Daarvoor was ze nog teveel C&B-manager en te weinig danseres.
De steenkapper
Zijn opdrachtgever was formeel geweest. Twaalf marmeren beelden voorstellende de dierenriem. Elk beeld twee meter hoog op een arduinen sokkel van ongeveer één meter. Het was zijn grootste opdracht als steenkapper, want zo noemde hij zich graag. Liever steenkapper dan beeldhouwer. Het klonk artisanaler en zo had hij het graag. Hij had een ruim budget gekregen. Hij mocht zijn marmer zelf gaan kiezen in de steengroeve. Hij voelde zich een echte.
En zo gebeurde het dat zes maanden later drie grote vrachtwagens de marmeren blokken kwamen uitladen aan zijn atelier. Zijn erf had er nog nooit zo vol bijgelegen. Dagen besteedde hij aan het bekijken van zijn blokken. Welk beeld zou uit welk blok komen? Hij keek, voelde, mat, dacht na en keek nog eens opnieuw. Een eerste blok werd gekozen en hij toog aan het kappen. Dagen en nachten bracht hij in zijn atelier door. Gedreven door het vuur van het steenkappen. Ongeduldig om de eerste contouren te zien van zijn creatie. Zijn opdrachtgever was formeel geweest. Het moesten klassieke beelden worden, met een moderne strakke lijn, overeenkomstig zijn bedrijf. Zijn bedrijf pretendeerde het diepe inzicht te hebben van de Grieken, maar dan wel in een actueel tijdperk. Daar was hij samen met een adviseur achter gekomen. Na een tweetal weken kon je zien welke richting het uitging. Dit zouden de Vissen worden. De aders in het marmer vormden het spel van het water.
Maar de derde week ging het mis. Net toen hij aan de staart van een vis met strakke lijn kapte, begon het beeld te splijten. Er was geen houden aan. Twee tikken en een groot stuk marmer brak af. De vis had geen staart meer. De steenkapper was in paniek. Hij belde zijn leraar van weleer en verzocht hem naar zijn atelier te komen. De leraar kwam. De leraar vroeg waarom hij hier en daar had gekapt. “Er moest een strakke lijn in komen”, sprak de steenkapper. “Een strakke lijn”, herhaalde de leraar. “Om in overeenstemming te zijn met het bedrijf”, vulde de steenkapper aan.
“Een bedrijf kan veel willen”, zo sprak de leraar, “maar een steen laat zich niet gebieden. Een kunstenaar is de baas over zijn werk op papier, tijdens de voorbereidingen. Zodra hij een steen geselecteerd heeft, is de steen de baas. Enkel door eerst respect te hebben voor de steen, kan je de steen met succes naar je ontwerp zetten. De steen moet je ontwerp niet respecteren. Maar je ontwerp wel de steen.”
“Dan is dit kapotte beeld misschien toch nog goed”, antwoordde de steenkapper, “want dat is misschien de boodschap die te onthouden valt.”
Zoveel mensen
Een directeur in zijn bureaustoel
de managers in de vergaderzaal
een receptioniste met een glimlach
een man drukt een knop in
de anderen laden de vracht uit
de boekhouder schrijft het op
de poetsvrouw met haar kar
de kok in het bedrijfsrestaurant
de jurist kijkt het contract na
de magazijnier telt alle rekken
de secretaresse checkt de agenda
de bediende vult het rapport in
de personeelschef betaalt de lonen
Zoveel mensen, zoveel meningen.
Zoveel mensen, zoveel karakters.
Zoveel mensen, zoveel misverstanden
Zoveel mensen, zoveel passie
Zoveel mensen, zoveel mogelijkheden
Zoveel mensen, één bedrijf
Googletje,googletje, aan de wand
Heel heel ver weg, in een donker bos, leefde een Koning met zijn Koningin en zijn dochter. Tenminste, de dochter was van de koning, maar niet van de Koningin. De koning was hertrouwd zoals dat soms ging in dat verre land. De koningin wou zangeres worden. En alhoewel ze eigenlijk geen talent had, ze had wel geld en ze was de vrouw van de koning. Dus dat scheelde een stuk om een hit te scoren. En zoals men kon vermoeden, was de koningin van het ijdele soort. Googletje, Googletje, aan de wand…wie is de populairste van het land? De koningin googelde minstens twee maal per dag om na te gaan of ze nog altijd bovenaan in de zoekresultaten stond. En zowaar, ze stond steeds met stip op nummer één. Iedereen hield van de koningin, zo vertelde Google.
Tot op een ochtend ze opnieuw voor Google zat en zag dat Sneeuwwitje op nummer één stond. Ze bleef niet bij de pakken zitten en vatte het plan op zichzelf terug op nummer één te krijgen en om als bijkomende bonus Sneeuwwitje uit de weg te ruimen.
Ze logde in op facebook en stuurde naar iedereen die ze kende en iedereen die ze niet kende een uitnodiging om vrienden te worden. Van al deze personen waren er voldoende die zelf ook ijdel genoeg waren om die vriendschap te bevestigen – wie wil er nu geen koningin als vriendin - waardoor de koningin in een mum van tijd meer dan duizend vrienden had. Ze sms-te naar de jager met de opdracht Sneeuwwitje uit de weg te ruimen, voor alle zekerheid. De jager antwoordde “ok” waarna hij op twitter schreef dat hij Sneeuwwitje zocht. In enkele minuten kreeg de jager zoveel tips dat het een klein kunstje zou worden om haar dood te cyberpesten. Toen de jager echter op de website van Sneeuwwitje terecht kwam, werd hij vertederd door zoveel schoonheid dat hij wou afzien van zijn opdracht. Hij wist echter dat, als de Koningin zou blijven vaststellen dat Sneeuwwitje het meest populair was, hij zelf het slachtoffer van haar woede zou zijn. Daarom besloot hij Sneeuwwitje gewoon zwart te maken in plaats van te doden. Een zwart Sneeuwwitje is zo goed als een dood Sneeuwwitje, zo dacht hij. Hij hackte haar website, manipuleerde haar foto’s met photoshop en verspreidde allerlei roddels over haar leven. Her en der doken blote Sneeuwwitjes op, in de meest bedenkelijke omstandigheden. Sneeuwwitje was totaal ontredderd. Ze wist niet wat gedaan. Ze huilde uit op Netlog en ontmoette daar zeven bloggers. En zoals dat met bloggers altijd gaat, die zitten zo vaak en zo lang achter hun computerscherm dat ze zichzelf en hun huishouden compleet verwaarlozen. In ruil voor hun hulp poetste Sneeuwwitje het huis van de zeven bloggers. Ondertussen blogden de Zeven over Sneeuwwitje en hoe die hun leven aan het veranderen was. Ze liepen er zowaar gekamd en gewassen bij. De douche was als het ware een herontdekking. De verhalen die de bloggers publiceerden werden gretig gelezen door menig internaut. Iedereen wou weten hoe het Sneeuwwitje verging. Via de webcams van de zeven bloggers kon men meekijken en meezingen met de liedjes die Sneeuwwitje onder het huishoudelijke werk zong. Op Myspace werden Sneeuwwitje-clubs opgezet met haar liedjes en die van haar bewonderaars. Zo’n onbevangenheid en zo’n mooi meisje! Ze was de ontdekking van het jaar. Het talent waarop iedereen had zitten wachten.
En zo kwam het dat, toen de koningin op een dag opnieuw google raadpleegde, ze vaststelde dat Sneeuwwitje meer dan ooit de nummer één was geworden. De koningin beet in de appel en stierf.
De logofoor
Hij droomde van de verbinding van de mensheid. Alle mensen in contact met elkaar. Ideeën uitwisselen, elkaar stimulerend. Hij had hiertoe een instrument ontwikkeld. Het noemde het zelf de logofoor. De woordendrager. Of nog juister: de gedachten-drager.
Het was allemaal begonnen met die ene doorbraak die hij had gerealiseerd bij het maken van zijn fonograaf. Het was zijn vriend, Theo, een imker in zijn vrije tijd, die toevallig op bezoek was geweest, die hem op het idee gebracht had om een rol bijenwas te gebruiken om de trillingen van het geluid mee vast te leggen. Het feit dat zijn vriend toevallig op bezoek was gekomen, had hem aan het denken gezet. Wat zou er gebeurd zijn als zijn vriend gewoon thuis was gebleven? Zou hij dan geen oplossingen gevonden hebben? Hij kwam tot het besluit, dat als je mensen met verschillende achtergrond samenbracht, je veel sneller tot nieuwe oplossingen en ideeën kwam dan wanneer je alleen nadacht. Maar ja, je moest al geluk hebben dat je twee gelijkgestemde zielen vond in je eigen straat, laat staan je eigen dorp. Theo woonde 25 dagreizen hier vandaan.
En zo kwam hij, na vele omwegen en toevalligheden op zijn logofoor. Aanvankelijk heette het geen logofoor, maar een spreekbuis.
Zijn schoonbroer baatte een hotel uit. Om in dat hotel de bediendes te roepen, werden bellen gebruikt, die via koorden aan het rinkelen werden gebracht. Op bevel van de bel schoot een bediende in actie en deed dan het nodige, bijvoorbeeld koffie halen. Om de communicatie te verbeteren vond hij de spreekbuis uit. Een tinnen buis waarin de gast zijn bevel schreeuwde dat de bediende in de kelder kon horen.
Maar wat als de spreekbuis nu eens verder zou gaan dan de kelder? Een spreekbuis die tot bij de buren liep, of nog verder, tot bij de overburen, of tot aan de andere kant van het dorp, of tot aan het volgende dorp? Dan zou je kunnen overleggen met iemand op 5 kilometer afstand zonder er naartoe te moeten gaan…Het leek een waanzinnige gedachte. Nog erger werd het toen hij bedacht dat het niet zomaar één buis zou zijn tussen twee punten. Het zou een netwerk van buizen zijn, in elk huis één. En iedereen zou erdoor kunnen praten en iedereen zou elkaar kunnen horen.
En zo kwam het, dat hij op een mooie lentedag in het veld op zijn buik lag tussen de koeien. Zijn mond tegen een tinnen buis gedrukt. Enkele honderden meters verder zijn trouwe assistent, met zijn oor tegen het andere einde van de buis, luisterend naar een geluid dat er zeer zwak door kwam.
Na de boodschap liep hij in alle haast naar zijn assistent.
“Heb je me gehoord?” vroeg hij uitgeput. De assistent durfde geen neen te zeggen. Hij had gemurmel gehoord. Maar misschien was het gewoon de wind.
“Zie je wel, het werkt”, zei hij uitgelaten, “Ik kan gedachten overbrengen.”
De assistent vond hem een fantast. Een lieve idioot die dacht dat hij mensen over grote afstanden met elkaar kon laten communiceren.
“Het was nogal stilletjes”, gewaagde de assistent te zeggen.
“Dat komt doordat de buis wat bergop ligt.” zei hij, “De woorden verliezen kracht als ze bergop moeten stromen. Misschien helpt het als ik op een stoel ga staan met de buis in mijn hand. Dan krijgen de woorden een grotere vaart bij de start.”
De assistent knikte gedwee. “Ik ga u een stoel halen”.
De logofoor werd die lente geen succes. Maar vele lentes later tikte zijn achterkleinkind http:// in, ook gericht naar zijn assistent. En dat was alleen maar mogelijk doordat al die lentes er assistenten waren die hun fantast aanmoedigden om door te gaan.
(geïnspireerd op Alessandro Baricco)
Jongetje
Verweesd en verwonderd kijkt het kind de man met grote ogen aan. Donkere, gitzwarte karbonkels van ogen. Met die ogen kijkt hij de toekomst tegemoet. Een toekomst die hij niet kent en waarvan hij niets verwacht. Hij leeft gewoon de dag die vandaag is. Hier en nu. Begrippen die hij in het kleine schooltje leerde. De man kent de begrippen niet meer. Hier is te klein, want hij wil de hele wereld. En nu is te laat, want hij wou het gisteren. En daarom hoorde hij niet wat de kleine hem wou vertellen. Zag hij niet wat de kleine hem wou geven. Hij duwde de jongen nogal ruw opzij. Nam een steen en sloeg meermaals tegen het raam van de deur. Tot het brak. Morrelde aan het slot en ging vloekend zijn kantoorgebouw binnen. Hij was zijn sleutel kwijt. Verdomme. Hij was nu perfect georganiseerd. De sleutels van zijn kantoor zaten altijd in zijn linker jaszak. Maar niet vandaag. Hij had zich moeten haasten. Een file op weg naar kantoor…maar ook te laat uit bed. Te laat voor die vergadering. Als hij er niet was, zouden zijn klanten voor een gesloten deur staan.
Het jongetje kijkt verbijsterd naar de scherven op de grond. Zo’n geweld. Is dit nu een inbreker? Hij heeft nochtans geen masker aan. Het is een boze man. Een onaangename man.
Nochtans was ook de man ook ooit zo’n opgewekt ventje geweest. De tijd had er twintig jaar over gedaan om van hem een klier te maken, die niemand lief had. Een man, gejaagd door de beurstijd, zoekend naar het juiste procent dat altijd te laat kwam. De huid van de man was bleek. Zijn gelaat leeg. Hij was een nog een vage schim van wat hij ooit was geweest.
“Meneer! Uw sleutels”, had het jongetje nog gepreveld, maar hij werd de mond gesnoerd. Hij had ze gevonden op het voetpad. Zien vallen uit de zak van de man. Maar de man was teveel bezig met de wereld. Zijn wereld.
Elke man begint als een jongetje, blakend van coloriet. Verwonderd en ontdekkend. Weinig mannen is het gegeven om hun kleur te behouden. Als slecht bewaarde schilderijen vervagen hun kleuren en barst de verf van hun ziel. Maar het is fijn te zien dat er elke dag opnieuw zo’n jongetje staat. Klaar om opnieuw te beginnen.
Noot: schilderij van de hand van Catherine Beyer.
