Archief voor ‘Uncategorized’ Category
Apotheek met wachtdienst

Moe maar voldaan was hij vrijdag om elf uur ’s avonds naar huis gereden. De laatste klant bediend. Terwijl hij zich twee maanden eerder druk had gemaakt omdat hij pas om zeven uur was thuis gekomen als gevolg van een installatie die hij persé moest starten om vier uur in de namiddag. Ongehoord vond hij het. Zijn dispatcher had hem gebeld. Een klant had dringend een digitale televisieaansluiting nodig om de match in het weekend te kunnen zien. En aangezien de directie beslist had om klantgericht te werken, moest hij die vrijdag om vier uur nog aanvangen met een installatie. Hij wist dat dit zou uitlopen. Klantentevredenheid. Het stond zelfs op zijn bestelwagen geschreven. Zo kon hij het niet vergeten.
Maar dat was twee maanden geleden. Nu was het elf uur en was hij gelukkig. Wat was er veranderd? Hij vroeg het zich af.
Hij was zelfstandig geworden. Was dat het? Neen. Hij was nu zelfstandig installateur van allerhande telecommunicatiemateriaal en deed min of meer hetzelfde als toen hij voor die grote netwerkoperator werkte. Het werk was hetzelfde, de klanten eigenlijk ook. En ook hij stelde belang in klantenservice. Anders zou je niet tot elf uur ’s avonds zitten sleutelen onder een tafel in een veel te klein en donker hoekje.
Maar hij had slechts 3 klanten bediend die dag, in tegenstelling tot vroeger waar hij een quotum van 5 of liefst 6 moest halen. Anders lag zijn productiviteit lager dan het gemiddelde en kreeg hij een slechte evaluatie. Bij de laatste klant hij had nochtans zeer efficiënt gewerkt. Hij was een professional en kende zijn vak. Maar toen, om 19u, gebeurde er iets. Het zoontje van de klant had koorts gekregen en de moeder had een apotheek nodig. Omdat ze niet goed overweg kon met het internet, had hij voor haar opgezocht wie de apotheek met wachtdienst was en had hij op mappy.com de bijhorende wegbeschrijving opgezocht en afgedrukt. Het had hem zeker een uur werk gekost, temeer daar de printer des huizes aanvankelijk niet mee wou. Zoiets zou ondenkbaar geweest zijn twee maanden tevoren. Toen was hij installateur met een welbepaalde opdracht en had hij geleerd de focus te bewaren op het in bedrijf stellen van de toestellen van zijn bedrijf. Alleen zo kon hij 6 klanten per dag halen. “Geen koffie aanvaarden” ,had men hem ingeprent. “Geen praatje met de klant na de installatie”. Want al die praatjes met al die klanten waren op het einde van de week goed voor 8 werkuren, zo had een consultant becijferd, een hele werkdag. Verloren gegaan aan praatjes. Hij zag de consultant voor hem staan, op dat bedrijfsseminarie waar hij en zijn collega-installateurs naar toe moesten. Iedereen moest door een “klantengerichtheidsbad” zo klonk het. Er werd geïnvesteerd in de mensen …
Het had hem uitgehold. Zes installaties per dag. En één doos Nurofen per maand ondertussen. Hij was een lege overall met het logo van zijn bedrijf erop geworden. Erin zat geen mens meer, maar een geoptimaliseerd stukje anonieme arbeid, een human resource. Zijn ziel was weg. Zijn werkvreugde. Van de fierheid op zijn eerste werkdag toen hij ook zo’n logo mocht dragen, was na amper één jaar, niets overgebleven.
Hij had zijn overall met logo over de haag gegooid en een klein bestelwagentje gekocht. Hij zou het anders aanpakken. Hij had zelfs geen logo, maar wel terug tijd voor de klant. Voor het praatje, voor het zoeken naar de apotheek. Maar als hij werkte was het hard en efficiënt. Hij had immers omzet te realiseren. Anders kon zijn nieuwe auto niet afbetaald worden. De risico’s waren groot. Hij voelde zich terug gelukkig.
Hij vroeg zich af of hij zou moeten groeien? Kon hij morgen personeel aanwerven om voor hem installaties te verzorgen? Of zou hij in dezelfde val trappen als zijn vorige werkgever? Kon je je personeel gewoon vertrouwen? Of moest je hen wantrouwen en quota opleggen? Hij vroeg het aan zijn vrouw. En zoals altijd antwoordde ze met een vraag die het antwoord was: “Ben jij dan de enige die zijn werk goed wil doen?” Dicht tegen haar aankruipend viel hij in slaap.
De raap

Vloekend zat de raap in een hoek van het atelier. Het was nu al de tweede week dat hij een wapenschild met blauw ruitmotief probeerde op het doek te zetten. Maar telkens als hij dacht dat het goed was, bleek enkele dagen later het blauw terug grijzer te zijn geworden. Een argeloze toeschouwer zou het amper zien, maar hij vervolledigde het schilderij van zijn meester. Hij zag het verschil met wat er al op het schilderij stond.
De meester had het al die tijd gezien. Hoe zijn leerling zat te zwoegen met de pigmenten, met olie en andere emulsies. “Begrijp eerst de kleuren”, had hij de raap gezegd, “daarna kan je gaan nadenken over wat je ermee wilt schilderen.”
“De kleuren begrijpen, pfff” had de leerling gedacht. Was hij daarvoor die hele weg uit het hoge noorden naar het centrum van het land afgezakt. Hij wou schilderen. Hij wou weidse taferelen maken met schaars geklede dames. De gedachte om in een atelier vol naakte modellen te staan, was voor hem een extra motivatie geweest om de ouderlijke hoeve, met de twintig koeien en vijftig schapen, te verlaten. Zijn vader had hoofdschuddend geakkerdjiet toen hij zijn zoon had zien vertrekken, zelf achterblijvend op weide die hij nu helemaal alleen moest bedwingen.
Daar zat hij dan, al vier maanden in een hoek van het atelier met rondom hem alleen maar potten en zakjes, bestanddelen om verf te maken. En nu de tijd was gekomen dat hij eindelijk mocht schilderen, een onnozel blauw vierkantje, nog lang geen sierlijk vrouwenlichaam, kreeg hij zelfs dat niet voor mekaar.
De meester wist wat het probleem was. De raap had indigo gebruikt om blauw te maken. Maar indigo houdt niet zomaar overal zijn kleur vast. Wol kon je met indigo kleuren, maar een katoenen doek niet. Zeker niet als je, zoals gebruikelijk was, de verf maakte op basis van olie. Je moest lijm toevoegen, dan bleef het indigo, indigo. Anders werd het grijs. De meester wist dit. Het was ook de bedoeling dat het fout liep. Dat was immers leren. En hij had speciaal de opdracht gegeven om dat blauw wapenschild te vervolledigen. Indigo was immers één van de goedkopere kleuren. Ook het leergeld moest immers onder controle gehouden worden. Je morst niet met goudverf.
Een goede balans tussen onderricht en ervaren, dat is wat een goede leermeester onderscheidt van de rest. Hij was zo’n goede leermeester. Meerdere van zijn rapen waren ondertussen echte kunstenaars geworden. De leermeester was geroemd voor zijn “meesterschap”. Dat was ook een reden geweest waarom de raap uit het Noorden was afgereisd naar dit atelier.
Vele van die kunstenaars kwamen ook graag terug. En ook dat stimuleerde de raap. Zien hoe ook anderen, die ooit ook in dit hoekje waar hij nu zat hadden geknoeid, toch groot geworden waren.
Hij boog zich opnieuw voorover en ging mengen. En dit keer greep hij naar de lijm die op een vuurtje stond te pruttelen. De meester glimlachte en boog zich in stilte over zijn werk.
Lennon
Ze stond voor het raam. John Lennon was net dertig jaar dood. Ze wist, zoals zovelen, nog waar ze toen was. In het ziekenhuis, als veertienjarig kind herstellend van een kleine ingreep. Ze hield van Lennon en van The Beatles. Tijdens één van haar meer recente managementopleidingen was ze Lennon nog enkele keren tegen gekomen. “Life is what happens when you are busy making other plans”, is een vaak gebruikt citaat om al dat doordacht strategisch denken een beetje in perspectief te zetten.
Onwillekeurig moest ze nu aan Lennon denken. Niet omdat zijn dood herdacht werd, maar omdat zij, dertig jaar nadat Lennon vermoord werd, opnieuw in het ziekenhuis lag. Ze was aangereden door een auto. Op het zebrapad. Dat wist ze niet. Dat had men haar verteld. Voor het eerst in haar leven wist ze bewust dat ze iets niet wist. Een periode van ongeveer vier uur was helemaal niet in haar geheugen aanwezig. Ze wist niets van het uur kort voor het ongeval en van de drie uren erna. Drie uren weg. “Hoe voel je je?” had haar moeder gevraagd. “Goed” had ze naar waarheid geantwoord. Op wat schrammen na die wat pijn deden, voelde ze zich goed. Ontspannen zelfs. Ze stond stil bij het feit dat ze eigenlijk niet wist hoe ze zich die vier vergeten uren had gevoeld.
Hier verder over dubbend vroeg ze zich af hoeveel uren een mens eigenlijk van zijn verleden in zijn herinnering bewust meedraagt. Wie zegt dat hij een fijn leven heeft, waarover heeft die het eigenlijk? Over hoeveel uren van zijn leven heeft hij het dan eigenlijk?
Ze voelde zich nu goed. Op dit eigenste ogenblik. Vanuit één van haar opleidingen wist ze dat een mens zich ongeveer in brokjes van drie seconden bewust is van zijn eigen realiteit. Als je je het afgelopen uur probeert te herinneren, dan plak je dus zoveel mogelijk brokjes van drie seconden aan elkaar. En als die brokjes min of meer hetzelfde waren, dan ga je die als één kleine herinnering onthouden. Één uur genieten van een film wordt dan een korte herinnering. Omdat er te weinig verschillende dingen gebeuren. Een half uur genieten van een film, die onderbroken wordt door een elektriciteitspanne, waarna je vloekend op zoek gaat naar een zaklamp, je teen ondertussen in het donker stotend aan een half openstaande deur, wordt plots een herinnering aan een lange helse avond vol miserie. Dat half uurtje film is dan maar een kleine anekdote die vooral de inleiding was van de pijn die nog zou komen.
Ze kon dus nu niet zeggen hoe ze zich gevoeld had die bewuste vier uren. Geen herinnering en geen wetenschap over geluk of ongeluk. Eigenlijk heb je dus twee soorten geluk, zo dacht ze. Het geluk dat je quasi onbewust ervaart en de emotie die je je herinnert achteraf. En wat meer is, je tevredenheidsgevoel bepaal je vaak op basis van die onvolledige herinnering. Lennon had gelijk, dacht ze. Life is what happens.
Straks begint het nieuwe jaar. Dan wensen we elkaar weer allerlei vormen van geluk toe. Geluk met het aangezicht van een herinnering van toen. Dit jaar zou ze schrijven “Geniet van 2011” in plaats van “We wensen je een gelukkig nieuwjaar”. Genieten doe je nu. Geluk is een onvolledige herinnering.
Geniet van 2011.
Galet

Haast achteloos gleed zijn hand over de steen. Het was een grijze steen, een platte, rond van vorm, met wat zwarte stipjes. “Un galet” zeiden ze in Nice. Hij had de steen opgeraapt op het strand aan de Promenade des Anglais, een strand met alleen maar keien, rond en glad, gemaakt door het geduldige water.
Daar lag hij dan, op zijn bureau. De grijze platte ronde steen. Hij verzamelde, zei hij. In werkelijkheid had hij er maar een tiental. Meegebracht van verschillende reizen. Doorgaans niets bijzonders. Geen heldhaftige verhalen maar gewoon opgeraapt daar waar hij wandelde. Zo ook trouwens dat rode wat piramidaal hoekig steentje. Dat kwam uit de woestijn van Australië, de Outback. Het klonk spectaculairder dan het was. Hij had er gewandeld, dat wel, maar de tocht was niet zo gevaarlijk als hij vaak klonk, telkens hij over het keitje vertelde. Hij dikte het soms wat aan.
Liggen, dat was het enige dat hij deed. En dat hij kon doen. Zowel de galet als de piramide lagen alleen maar. Stenen stonden zowat helemaal onderaan de ladder als het ging om vrijheid van handelen. Een steen kon alleen maar liggen. Hij kon zelfs niet gaan verliggen. Daar had hij het getij van de zee voor nodig, of het water van een rivier. Of een bulldozer. Bloemen kunnen zich ook niet verplaatsen, maar zij kunnen zich op zijn minst al richten tot de zon. Wij kunnen lopen. Waar we maar willen. We staan bovenaan de ladder. Althans, dat denken we.
En toch, in al zijn stil zijn, raakte de steen hem. De steen hield zijn aandacht vast. De steen liet hem nadenken. Kon ik dat ook maar, dacht hij bij zichzelf. Hij was adviseur. Zo noemde hij zichzelf. En hij kwam net terug van een cliënt. Die hij met een tientallen bladzijden tellend rapport had proberen te overtuigen om zijn advies op te volgen. Maar de klant had niet geluisterd. Ik was beter een steen geweest, zo bedacht hij. Niet “als van steen”. Niet “hard en onverzettelijk”. Maar stil, standvastig, duidelijk zelfzeker. Maar zonder het uit te schreeuwen. De steen stond ook niet op zijn tafel te dansen om de aandacht te trekken. De steen was steen. En daarom zo inspirerend.
Ik moet meer overtuigen door minder te praten, zo besefte hij. Hij had ooit wel zo’n cursus gevolgd. Actief luisteren, empathisch gedrag, dat soort dingen. “Zorg dat je altijd minder woorden zegt dan je klant, ook al betalen ze je voor je advies”.
Steen zijn. Zorgen dat je op die tafel ligt, zo dacht hij. En die beslissing neem jij niet. Dat doet de cliënt. Net zomin als die galet op je bureau is geklommen, zo open jij de deur niet van je klant. De klant raapt je op. En neemt je mee. Omdat je de mooiste bent? De knapste? Die steen ligt naast duizenden andere gelijke stenen, die toch weer een beetje anders zijn. Had het piramidaal steentje op het strand gelegen, dan had je het waarschijnlijk storend gevonden. Uit Nice neem je galets mee, platte ronde stenen. Zo’n galet is eerlijk en authentiek. Ook al is hij een steen.
Zilveruitje

“Zouden we dit jaar wel gaan?” had ze zich afgevraagd. Vorig jaar was het bijna faliekant afgelopen. Het feest van 2009 lag Assepoester nog heel vers in het geheugen. Alleen de locatie al bleek toen een ramp. Een kade, ergens in een containerhaven, helemaal niet geschikt voor pompoenen. Maar het eventbureau en vooral de Koning wilden iets origineels. Geen balzaal. Alle genodigden vloekten zich er naartoe. Geen GPS die de naam van een kade kan onthouden, geen wegwijzer die zo wijs was dat hij de plezierboot wist aan te wijzen waar het bacchanaal feest zou plaats vinden. De vakkundig aangebrachte kartonnen pijltjes hadden geen ervaring met de gure regen die die avond voor de nodige verfrissing zou zorgen.
Maar goed, daar zat ze dan toch maar weer, tussen haar twee zussen in. Ze hadden zich dit keer wijselijk aan de rand van een rij stoelen gezet, zodat ze ongemerkt konden wegglippen als het echt te erg werd. En het werd erg. De Koning begon zijn toespraak. Een feest is pas echt een feest als het begint met een toespraak. Hoe dit jaar de boeren iets minder geproduceerd hadden. Veel te veel regen – de avond bewees het – waardoor de gewassen al verdronken voordat ze konden opschieten. Maar hoe hij bleef geloven in het nieuwe gewest waar hij onlangs in had geïnvesteerd. Tien slides had hij nodig om zijn eerste punt toe te lichten. Er waren vijf punten. Op de eerste rij zaten de zeven dwergen en Assepoester zag dat dit keer niet alleen Dommel zat te slapen. Enkel Sneeuwwitje zat keurig rechtop, zoals haar voorbeeldigheid betaamde. Assepoester had het niet zo begrepen op haar o zo perfecte nicht. Nochtans, ooit waren ze de beste vriendinnen. Maar de carrières hadden beide uit elkaar gedreven. Na die lange periode van tijdskrediet was Sneeuwwitje dezelfde niet meer.
Na de Koning kwam nog de Kikkerprins, als extern spreker. Stond hij daar te kwaken over zijn recent verworven bekendheid in de pers en wat er hem het afgelopen jaar overkomen was. En vooral, welke lessen niet hij, maar vooral alle toehoorders hieruit moesten trekken. Niemand was echt geïnteresseerd in wat er gebeurd was in de moerassen van New Orleans. Dat het vooruit mocht gaan, zat de Gelaarsde Kat te denken terwijl hij zijn blackberry nog eens consulteerde. Naast hem zat Hans en die deed hetzelfde. Grietje gaf hem een por. De halve zaal zat te teksten. De andere halve zaal had geen blackberry.
Na twee uur gijzeling op een stoel kwamen eindelijk de verlossende woorden, “Tot slot had ik graag…” hoorde Assepoester. Het was het signaal om terug rechtop te gaan zitten. De zaal veerde op. Het slotwoord bestond helaas nog altijd uit veel te veel woorden. Waar was de tijd dat een simpel “toen kwam er een varkentje…” werd gezegd. Nu moest god en klein pierke nog bedankt worden, vanop een papiertje en niet vanuit de grond van zijn hart. Maar een papiertje vergat niemand en een hart soms wel.
Na de toespraken kwam het eten. Minuscule volledige maaltijden als was het een culinaire bonsaiwedstrijd. Vanop te kleine bordjes of in te diepe glazen, probeerde iedereen al staande zijn vaardigheid tot het vangen van een scampi, champignon of een heus stukje kabeljauw te demonstreren. Tomatensaus spetterde op witte hemden, een zilveruitje verdween in het decolleté van Vrouw Holle. Sedert enkele jaren had de Koning tafels en stoelen verboden op feestjes. De oorsprong van dat geniale idee was iedereen vergeten.
Muziek verving de maaltijd. De Bremer Stadsmuzikanten zetten het dansfeest in. Gesprekken werden door trommels en trompetten uitééngereten en hoewel niemand nog begreep wat de andere zei, bleef iedereen beleefd knikken en soms zelfs lachen als bleek dat een zin in een onbekend hoogtepunt eindigde. Het was een vreemd schouwspel dat bij elk feest opnieuw voorkwam. Doornroosje begon als eerste te dansen. Zoals altijd had ze er te veel zin in hetgeen haar vrouwelijke collega’s ergerde. Al gauw stond een schare prinsen om haar heen te huppelen. Selectieve teambuilding met beperkte duurzaamheid.
Assepoester schudde het hoofd en ging de trap af. Voor haar liep Vrouw Holle. Die hield het ook voor bekeken. Haar tred was echter zo energiek dat haar borsten de greep op het zilveruitje verloren. Het uitje viel op een trede. Assepoester gleed uit en verloor daardoor haar schoentje.
Wat de voordelen kunnen zijn van een walking dinner.
Nog even geduld voor nieuwe verhalen
Hier ben ik dan terug. Twee weken later dan gepland. Normaal gezien publiceer ik, na een korte zomerstop, bij het begin van het schooljaar. Niet dus in 2010. En ook de komende maanden zullen de verhalen nog even achterwege blijven. Ik probeerde het de afgelopen twee weken, maar het resultaat bleef uit. Niet dat er geen inspiratie meer zou zijn. Er is geen tijd. Nu zal u zeggen, tijd dat maak je als je dat wilt, maar nu heb ik mijn tijd anders nodig. Ik bouw immers aan “de Ont-moeting”. In navolging van het boekje in 2006 en daarna deze website waar u alle verhalen die ik schreef, kan terugvinden, komt er nu een echte ontmoetingsplek. Een ont-moetingsplek. Een huis, net naast mijn deur in Zingem aan de rand van de Vlaamse Ardennen, dat bedoeld is om te ont-moeten. Om elkaar te vinden, in gesprek te gaan, misschien zelfs iets te leren want in de ont-moeting komt ook een schooltje.
De Ont-moeting wordt een huis waarin meerdere van mijn activiteiten onder gebracht zullen worden. Behalve mijn persoonlijk kantoor hoog in de nok, uitkijkend over de velden, is het huis voorzien van verschillende multifunctionele zaaltjes waar u kan komen vergaderen, overleggen, zowel met mij erbij vanuit mijn job als adviseur, alsook geheel op eigen houtje. Tussendoor kan u wandelen langs het Wannelapperspad tussen de velden tot aan de Schelde, rusten bij de gerestaureerde staakmolen ‘t Meuleke Dal, van ons dorp, of gewoon ontspannen in de tuin, het salon en de gelagzaal waar een zachte zetel en een bibliotheek op u zullen wachten.
Ook Troblozan, een nieuwe initiatief rond muziek dat in de steigers staat, heeft zijn onderdak in de Ont-moeting. Troblozan staat voor Trommels, Blokfluiten en Zang. Met deze drie muziekbouwstenen, voorzien we in workshops voor kinderen en volwassenen. Troblozan is er zowel voor individuen, groepen als scholen. Niet alleen om muziek te spelen, maar zo nodig ook als onderdeel van persoonlijke ontwikkeling. Troblozan verleent zijn diensten met de inzichten in gedachten die ik neerpende in het boek “De Kikker en de Oceaan”. U vindt er binnenkort meer over op www.troblozan.be.
Wie weet ontmoet u onze artist-in-residence in “De Ont-moeting” en doet u een praatje over schilder- en beeldende kunst. Achteraan in de tuin heeft beeldend kunstenaar Lonne haar onderdak in ons kunstatelier. Maar ook andere artiesten zal u in de Ont-moeting aantreffen. We plannen ont-moetingsavonden rond cultuur en media in het huis. Om u te inspireren, maar ook omdat het gewoon fijn is.
Verhalen schrijven kan ik dus nu niet. Dit vraagt in mijn geval rust en aandacht, die ik nu te weinig heb. Als alternatief publiceer ik wel weer brieven aan mijn zoon in de reeks Erfenis uit de toekomst. Dit vraagt minder moeite. Deze week schreef ik hem de brief “Honger lijden”. U kan deze brief downloaden op onze website www.jenspas.be .
Ook de zich ontwikkelende tekst voor het nieuwe boek “De Kracht van een Droom” kan u op onze nieuwe website www.dekrachtvaneendroom.be lezen. Regelmatig zullen hier nieuwe hoofdstukken verschijnen. Met de Kracht van een droom, onderlijnen Linda en ik ons geloof in de kracht van mensen die geloven in idealen, durven gaan voor een passie of met groot engagement hun job doen. We blijven dan ook ondernemingen die betrokkenheid hoog in het vaandel dragen helpen bij de verwezenlijking hiervan. Je leest er alles over op www.jenspas.be.
Dus graag nog even geduld voor de nieuwe verhaaltjes.
Tot binnenkort.
Jens
MDF hout
Hij zat in het midden van de kantine. Op de vierde rij van 8 rijen eettafels. In het midden. Helemaal alleen. Het was acht uur. Iedereen was naar huis. De verlichting was uit. Enkel de neonlampen van de koeltoonbank verspreidden een koel licht. Op de achtergrond zoemden de koelkasten. Maar voor de rest was het muisstil.
Daar zat hij dan, al zo’n kleine tien minuten. Een bevreemdend gevoel, alleen in zo’n grote ruimte. Het was het moment van de week waarvan hij kenbaar genoot. Overdag was zijn onderneming één en al bedrijvigheid. Tientallen mensen liepen aan en af. Telefoons rinkelden, deuren gingen open en dicht. De kantine was niet alleen de plek waar werd gegeten, ze deed ook dienst als grote vergaderzaal of zaal voor speeches en trainingen. Nu was ze leeg. Waarom hij zo genoot, dat kon hij niet verklaren. Hij zag de medewerkers aanschuiven bij de soep, die zijn bedrijf elke dag vers maakte en gratis aan het personeel aanbood. Hij zag ze hun boterhammendoos open maken. De mensen gingen meestal in dezelfde groepjes aan dezelfde tafel en zelfs in dezelfde volgorde zitten. Overdag wist hij alles. Hoeveel de soep hem kostte, hoeveel personeel er in de keuken aan het werk was. En hoeveel er ’s middags zaten te eten. Hij betaalde elke maand al die salarissen. Over alles had hij cijfers. Maar nu kon hij niet verklaren wat hij voelde. Het plezier om daar te zitten. Was het mijmeren misschien, maar daarvoor waren zijn gedachten niet voldoende afwezig. Hij keek naar de bestekbak en hoorde het bestek rammelen. Hij zag de flessenopener bengelen nadat het flesje was opengemaakt.
Morgen ging hij met vakantie. Twee weken. Niet meer, maar ook niet minder. Geen contact met het bedrijf. Het had hem moeite gekost, maar na tien jaar was hij er eindelijk in geslaagd elk contact met het bedrijf achterwege te laten tijdens zijn twee weken durende vakantie. En dat was het bedrijf ook gewoon geworden, na tien jaar.
Het was een gezellige kantine. Niet zo één met van die koude tafels met verchroomde poten en een blinkende witgele tegelvloer. OSB-houten muren, gezet door de mannen van het magazijn, en zelfgemaakte tafels in gevernist MDF-hout. Aan de wanden foto’s van allerhande hoogtepunten van het bedrijf.
Zo zat hij daar. Genietend, als van zoveel mooie dingen in je leven die je niet kunt verklaren. Hij was klaar voor de vakantie.
Pizza-Pita-P
Hij keek op zijn uurwerk en zag dat hij nog twee uur moest wachten. Twee uur. Dat was best nog lang. Hij was enigszins ontgoocheld door dit feit. Hij wou weg. Naar wat zo onderhand een wekelijks ritueel was geworden. In het kantoorgebouw naast het zijne hadden zijn collega’s, en die van andere bedrijven, de eerste verdieping professioneel gekraakt. ’t Is te zeggen, in dat gebouw stonden al een jaar enkele verdiepingen leeg en eind vorig jaar hadden enkele van zijn vrienden van de buurtbedrijven daar een eigen “conferentie” verzonnen. Geen van de betrokkenen had de toelating gekregen om naar die grote vakbeurs in Amerika te gaan. Het was immers crisis. Daarop hadden enkele creatievelingen het idee opgevat om dan maar zelf een eigen interne conferentie te organiseren op die lege eerste verdieping van het kantoorgebouw. Van de personeelsdienst hadden ze de sleutel van die verdieping gekregen. En zo gezegd, zo gedaan. Er werd een kleine bescheiden conferentie opgezet. Het was eerder een reeks van voordrachten en workshops telkens voorbereid door één van de collega’s. De lokale pizza- en pitashop werd als hofleverancier in het complot betrokken. De conferentie was een succes geweest. Leuke gesprekken en de afspraak dat je iets kwam brengen, dat je iets kwam delen.
Na de kerstvakantie was de herinnering aan de PP-conference (pizza/pita-conference) zoals ze ze waren gaan noemen, zo sterk dat men besloten had om het jaar in te zetten met een PP-nieuwjaarsdrink. De initiatiefnemers hadden de sleutel immers nog niet terug gebracht. En, hoewel het jaar nog niet ver gevorderd was, waren er nu toch al drie PP-events geweest. Telkens op de eerste verdieping, met pizza, pita, kennis, en vooral veel gelach en plezier.
Daar zat hij dan, te wachten op de PP-late-night-show, zoals het aankomende event heette. De sfeer was er helemaal anders dan hier, boven aan zijn flexdesk. Het was daar dat de inspiratie kwam. Het was daar dat de echte kruisbestuiving ontstond tussen collega’s en zelfs concullega’s. Daar keek men niet op een half uurtje.
Maar als hij heel eerlijk met zichzelf was, dan telde hij niet alleen de uren af voor de pizza en de pita, maar ook voor Pauline, die java-programmeur van dat andere bedrijf. Sedert die eerste conferentie met kerstmis kon hij haar niet uit zijn gedachten zetten. En hij wist dat zij ook aan hem dacht. Anders had ze niet naar hem gelachen vorige week. En ze had hem bij zijn naam genoemd, toen ze samen de trap naar boven namen. Het kon niet anders. Voor hem was het nu de PPP-late-night-show. Hij had alvast zijn beste hemd aangetrokken. Elk detail was nu belangrijk. Hij stond recht, hing zijn badge rond zijn nek, en wandelde naar de overkant.
Vuur

Het was wrijving die hem deed ontbranden. Een brand, warmer dan de hitte van wrijving. Zijn lichaam werd verteerd door het vuur. Zo intens ging hij letterlijk op in zijn eigen vlam. Van de lucifer bleef enkel een gekromde en verkoolde splinter hout over. Zo voelde hij zich ook. Verkoold, gekromd en broos. Hij had zich verzet. Tegen beter weten in. Misschien. En zijn verzet was de bron van zijn woede geweest. Zijn frustratie. Hij geloofde in zijn zaak. Maar de anderen niet. Hoe kon het ook anders. Een plan begint daar waar anderen geen plan zien. Weken had hij eraan gewerkt. Uitgebreid was zijn visie. Gedetailleerd zijn cijfers. Het vuur in hem. Zoals de lucifer voelde hij niet hoe broos hij hierdoor zelf was geworden. Er durven voor gaan. Zijn nek uitsteken. Het maakt je kwetsbaar. Kwetsbaarder dan gewoon toekijken of erger, lijdzaam ondergaan.
Met een scheut van pijn liet hij de lucifer vallen. Het vuur was blijkbaar toch nog niet uit. De lucifer viel in het open doosje. Het open doosje greep de lucifer. En plots ontvlamden ze allemaal. Eerst eentje aarzelend, maar daarna schoten ze allemaal in brand. Ze brandden door hem. Ze brandden voor hem. En hij lag daar tussen. Gloeiend in de gloed van de rest. Hij zag zijn aanstekelijkheid en hier putte hij nieuwe moed uit.
Dit moest hij doen. Gelijkgestemden vinden. Hen aansteken en op zijn beurt opnieuw aangestoken worden. Heel anders dan helemaal alleen te blijven en uit te doven totdat er niets van over blijft.
De vlammetjes weerspiegelden in zijn ogen. En in zijn ogen zag je het vuur. Zijn vuur. Het was nog niet uit. Het heilige vuur. Dat daarbinnen zat. Hij voelde het. Een waakvlam, klaar voor ontbranding. Klaar om opnieuw alles te geven. Wat is er wonderlijker dan te kijken naar een vlam? Al die energie, vertrekkend uit één punt. Ontsnappend aan dat punt. Dat is vuur. Je weet waar het begint, maar haar ambitie is grenzeloos. En zo ook zijn droom.
Wegversmalling

In schreeuwerig oranje en drie meter hoog stond het daar en niemand die het zag. Het bord stond langs de rand van de weg en het was de bedoeling dat je het zag. Zo’n stevige tweehonderd meter voor de wegversmalling. “Ritsen, vanaf hier”, stond er op. Je zag dat het een oud bord was. De gaten erin waren sporen van de vele boodschappen die het bord vroeger had verteld.
Hij zag het echter wel want hij was er speciaal voor naar hier gekomen. Met een oude versleten vouwstoel. Zo’n ding in witgelakte ijzeren buizen met vier veertjes achteraan en twee stukken zeildoek. Groen, rood, geel gestreept op een witte achtergrond. Het wit was weliswaar niet wit meer en de lak van de buizen was op vele plaatsen roest geworden. Hij zat daar aan de rand van de weg. Als een strandtoerist in Benidorm, kijkend naar de zich steeds opnieuw opvullende file voor het bord.
Zo’n bord wordt telkens weer opnieuw gemaakt in functie van de werfomstandigheden. De ene keer moet er geritst worden van drie naar één rijvak, de andere keer van twee naar één. Dit betekent dat er dus iemand is die zorgvuldig die letters plakt, pijlen op het bord herschikt en er zo nodig ritsende autootjes bij plaatst. Ergens afgelegen in een werfatelier of op de laadbak van een bestelwagen. Doet hij het niet, dan verandert de wereld in een hel. Dan gaan de auto’s op het rechter rijvak bumperen om te verhinderen dat er ook maar iemand van de ‘linksen’ tussen de ‘rechtsen’ kan, daarbij strak voor zich uitkijkend alsof er niemand naast hen staat. Auto’s gaan agressief grommen, automobilisten gaan door het lint. Een enkele vrachtwagenchauffeur besluit zelf het verkeer te regelen door met zijn slagschip twee rijvakken te versperren zodat die onbekwame automobilisten niet meer op dat linker vak verder kunnen rijden.
Hij speelt met enkele letters en schroeft wat pijlen en autootjes op een bord en de wereld verandert in een vredevolle plek, waar men plots met begrip en aandacht elkaar om beurt tussen laat. Wie van ons kan zeggen dat zijn of haar werk op zo’n directe wijze zo’n grote impact heeft op de wereldvrede?
Hij wist het ook niet toen hij daar voor de honderdste keer foeterend die pijlen zat los te maken en aan te passen. Vuil werk, want pijl en bord zit doorgaans onder de roetdeeltjes van de uitlaatgassen. Idioot, hersenloos werkje, op het feit dat je toch een beetje moest kunnen spellen na. Tot zijn chef hem had aanbevolen om deze namiddag eens even vrij te nemen en met die oude strandstoel op de middenberm te gaan zitten, kijkend naar zijn bord. Het zou hem opbeuren.
Hij lachte en zwaaide. Niemand had immers eerder iemand in een strandstoel op de middenberm van de autosnelweg zien zitten. Het was een gek zicht en alle ritsende chauffeurs lachten en zwaaiden. Sommigen sloegen zelfs een praatje, als het even stropte voor het bord. Hij wenste hen goeie reis.
Maar niemand die zag hoe hij en zijn bord hun portie dagelijks geluk had gemaakt.
Grassprietje
“Eindelijk”, dacht het grassprietje, “daar is de zon. Daar is de lente. De blaadjes krijgen bomen. Het heeft lang genoeg geduurd.”
Met al de kracht die een grassprietje heeft – en dat is heel wat als je weet dat gras tussen tegels door kruipt, zich op dakgoten nestelt totdat de goot het begeeft – rekte het zich uit richting zon. Ambitieus om een schitterend grasgroen gazon te realiseren in een al even schitterende zomer. Zich niet afvragend wat zijn aandeel in dit geheel eigenlijk was. Het sprietje was gewoon een sprietje. Het stond daar heel alleen, samen met zijn miljoenen collega’s samen gazon te zijn. Het voelde zich niet uniek, want het sprietje vroeg dit zich zelfs gewoon niet af. Het was gewoon wie het was, niets meer maar ook niets minder. Het onderging zelfs met plezier zijn wekelijkse kappersbeurt met de glimlach. Alles voor een mooi gazon.
Wat als er één van die grassprietjes het in zijn hoofd zou halen om rozenstengel te worden? Of persé wou opklimmen tot klimop? Stress en vooral ontgoocheling zou zijn deel zijn. Neen, hij is wie hij is, en hij wil daar eigenlijk weinig of geen verandering in aanbrengen. En hij is helemaal niet uniek. En toch slaagt hij erin om een schitterend resultaat neer te zetten. In alle eenvoud, in alle natuurlijkheid. Gras verwacht geen applaus als het groen is. Hij vindt dit doodnormaal. Hooguit voelt hij zich wat opgewonden als hij weer eens mag kriebelen.
Zo eenmaal per week komen ze. Een groep grote steltlopers. Dan komen ze op hun blote voeten door het gras lopen. Telkens op zondagochtend, net als het sprietje zich aan het wassen is. Dan staan ze daar te trappelen op dat natte gras. En dan weet hij dat hij moet kriebelen. Dat wordt van hem verwacht. Want dan hoort hij een gelukzalige zuchten van de tweevoeters. Ontstressen, noemen die dat. Het is iets dat hij niet begrijpt. En dus kriebelt hij maar gewoon.
Maar niemand die hem bedankt, als ze na een half uur trappelen het terras oplopen om een ontbijt te bestellen. Niemand die beseft dat, als hij er niet was geweest, ze hadden staan stampen in een zandbak. Dat komt wellicht omdat hun hoofd te ver van hun voeten staat.
Veerkracht
Hij zat op zijn knieën onder zijn bureau. Tenminste, onder zijn oud en versleten tafeltje. In het halfduister tastte hij naar het spiraalveertje uit zijn balpen. En dat voor de derde maal, stel je voor. Drie keer na mekaar had hij aan zijn pen zitten draaien en prutsen waarna de huls vooraan losschoot, het veertje er van tussen vloog en van de tafel rolde, aan de achterkant langs Murphy’s muur uiteraard, om dan ergens op de grond neer te komen onder zijn bureau. Opstaan, kruipen, zoeken, tasten, vinden, terug gaan zitten, vastdraaien, zich opnieuw zenuwachtig zitten opwinden aan zijn tafel, losdraaien, losschieten, wegspringen, vallen…en dat drie maal na mekaar.
En het was daar, de derde keer onder dat bureau, zijn handen in het stof, dat hij niet alleen het veertje maar ook de moed terug vond om weer aan de slag te gaan. Zijn frustratie was plotsklaps verdwenen. Zijn fierheid kwam terug, samen met zijn beroepsernst. Zelfs zijn motivatie kwam al om de hoek kijken.
Drie maanden geleden was de eerste werkdag van zijn fabriek, onder bewind van de nieuwe eigenaars, een feit. Zijn bedrijf smolt samen met een voormalige concurrent, meerdere malen groter dan zij. Met deze fusie waren ook een pak interne procedures veranderd. Zo was de aankoop van de smeermiddelen gecentraliseerd om de prijs te drukken. Dergelijke centralisatie betekende echter een langere aanvraagprocedure om nieuwe emmers smeerolie en vetten te bestellen. Meer bazen, meer handtekeningen, meer tijd. Na één maand was dit al voelbaar in zijn fabriek, ver weg van het hoofdkantoor. Vier technische storingen tengevolge te weinig smeervet. Vakman als hij was had hij, na meerdere pogingen om zijn aanvraag te versnellen en vast te stellen dat je het gevecht tegen de administratie niet kon winnen, besloten om gewoon wat meer te bestellen dan nodig was. Zo had hij een klein extra voorraadje in eigen beheer voor noodgevallen. Zin voor initiatief gecombineerd met de liefde voor zijn vak. Hij werd wellicht de werknemer van de maand.
Gisteren kreeg hij echter een boze telefoon. Hij werd verwacht bij de lokale fabrieksdirecteur. Hoe het kon dat de onderhoudskosten plots 25% waren gestegen? Waarom hij nu al drie maanden zoveel meer materiaal bestelde dan vroeger? Hij hoorde zelfs een kleine zweem van wantrouwen. Dacht die directeur misschien dat hij in zijn garage thuis een klein productielijntje had staan? Het was wellicht zijn verbeelding. Hij probeerde uit te leggen dat de bestelprocedure een kwart langer duurde dan vroeger en dat hij dus meer smeermiddelen op voorraad nam om problemen te vermijden. Hij wees op de pannes van de eerste maand. Met iets tussen onverschilligheid en een blijk van begrip knikte de directeur, om daarna afgemeten op te merken dat het niet zijn taak was om zomaar de regels vrij te interpreteren. Hij had zijn probleem moeten melden. Dat hij dit geprobeerd had, werd niet gehoord. De directeur luisterde niet. Enigszins neerbuigend zei hij dat hij natuurlijk niet kon beseffen dat hij hierdoor de verhoopte kostenbesparing gewoon onderuit had gehaald. Schrappen dus die grote hoeveelheden op de bestelbon. Kleine voorraden, Just In Time. Lean en Mean. Zo hoorde het. Het Mean klonk harder door dan het Lean.
Het was na zijn bezoek aan de directeur dat zijn balpen het moest ontgelden. Totdat het veertje hem de weg toonde. Hij kon nog tien keer de veer oprapen, de veerkracht zou niet veranderen. Waarom zou hij zich dan wel laten gaan?
Glimlachend nam hij 2 bestelbonnen. De eerste vulde hij in met de juiste minimale hoeveelheid. De tweede vulde hij al in om overmorgen te versturen, met dezelfde minimale hoeveelheid. Hij deed wat werd gevraagd. Minder smeervet op de bestelbon. Maar nu wel meer bestellingen. Zijn machines moesten immers blijven draaien.
21u15
“Wat ben je aan het doen?” vraag ik hem.
Ik wacht op jou, was zijn antwoord. Hij zat rechtop in zijn bed, te wachten. Rustig. Gewoon. Te wachten. Het verraste me enigszins. Hij heeft immers niet zo’n rustige natuur, zeker niet als het op zijn bed aan komt. Dan is hij zelden moe als het bedtijd is. 10 jaar. Dan is het bed altijd een landschap vol avonturen, die opduiken voor het slapen gaan.
Ik schrok ook omwille van de eerlijke onschuld van zijn antwoord. Hij was inderdaad aan het wachten op mij. Niets meer, niets minder. Geen verwijt, geen verontwaardiging, zelfs geen teleurstelling, nog niet. Het raakte me, hard en diep. Hoe vaak hoor je een volwassene zeggen dat hij wacht, zonder verontwaardiging?
We hadden om 21u afgesproken aan de rand van zijn bed. Het was immers vakantie. Dan mocht het iets later zijn. Sedert december lezen we, aan een ritme van ongeveer vier dagen per week, samen een boek. Twee hoofdstukken per avond, zo’n 15 à 20 bladzijden. 20 minuten. Ik lees voor, hij leest mee. Het is een ritueel dat zijn eigen plek heeft gekregen. In het half donker met enkel een nachtlampje op de tafel en een leeslampje naast het bed, lezen we de jeugdboekenreeks Torak en Wolf. Het verhaal, mijn stem, de nacht. De wereld van Torak komt dan tot leven. We zitten al aan het tweede boek.
Het was 21u15. Ik was te laat. Maar er was geen verwijt. Ik was te laat omdat ik deed wat volwassenen vaker doen. Voortdoen met wat ze bezig waren. Werken of nog snel het nieuws lezen, of zoals in mijn geval, mijn houtbewerkingsatelier opruimen. Ik zit er vaak de laatste tijd. En ik zit er graag. Zo graag, dat ik mijn zoon liet wachten. Ik had de keuze. Zoals we vaak de keuze hebben. Maar ik liet hem wachten. Ik had vroeger kunnen stoppen en onze afspraak respecteren. Het is een tip die ik, als adviseur in samenwerking, wel vaker geef. “Met simpele dingen toon je het meeste respect en bouw je de beste samenwerking. Door bijvoorbeeld op tijd te komen.” Ook mijn zoon lees ik wel eens de les. En hij laat het zich doorgaans welgevallen. Ik ben de leraar. Ik weet hoe het moet en dat denkt hij ook.
Maar nu las hij me de les. Ongewild en onwetend. Door te doen wat ik zo vaak vraag. Hij was op tijd. Had hij maar gezegd “was je weer aan het werken?” Of zelfs “je bent weer te laat, papa!” Maar nee, hij suggereerde niets, niet met woorden, niet met zijn stem, niet met zijn houding. Hij vertrouwde erop dat ik er ging zijn. Ook al had hij de ervaring dat ik soms wel verzonken ben in mijn eigen wereld. Hij wachtte.
De leraar en de leerling. Ik ervoer plots wat het betekende: “de leraar en de leerling bewandelen naast elkaar het pad.” Hij grijpt ’s ochtends, als we naar school stappen, nog vaak naar mijn hand. Ik dacht al die tijd dat ik hem leidde, maar misschien en wellicht is het ook omgekeerd. De kracht van eerlijke onschuld. Of mildheid. Ik hoop dat hij het niet afleert.
Over komkommers en bananen
Vanuit zijn ooghoek keek de banaan naar het kind. Het kind liep naast haar moeder, met een winkelkarretje op kinderformaat. De moeder met een kar op moederformaat. Het meisje had een vlaggetje op haar kar, de moeder niet. Jammer, dacht de banaan, de moeder zou zo’n uitbundigheidje ook wel fijn vinden op haar tocht langs de rekken. Ze las de gedachten van de moeder, want dat konden bananen. Daarom was ze ook krom. De kromming zorgde ervoor dat ze gedachtegolven kon opvangen.
Af en toe vragend, nam het kind een stukje kaas, een brikje chocolademelk, dat het telkens glunderend in haar karretje deponeerde. Ze kreeg telkens het goedkeurend knikje, dat ze zocht, van haar mama.
Haar favoriete yoghurtpotjes stonden mooi op een toren gestapeld, in promotie. Mooi maar niet kindvriendelijk, want het meisje graaide naar een set potjes die binnen haar bereik lagen, maar die tevens de basis vormden van de toren. De toren stortte in. Een oorverdovend lawaai, de yoghurt spatte in het rond.
Het meisje schrok maar vergat te huilen. De moeder schrok ook, keek om, zag de ravage. Tussen de potjes stond haar dochter, met stukjes in yoghurt geweekte passievrucht in het haar. “Oei, wat is hier gebeurd?” vroeg de moeder. Ze werd niet boos. Ze kende haar dochter. Dit was een ongeluk, onbedoeld, onvoorzien. Het meisje was te onthutst om te antwoorden.
Een voorbijgangster kwam voorbij en keek afkeurend. “Nog zo één die kinderen niet kan opvoeden”, hoorde de banaan ze denken. “Ze moeten hun handen leren thuis houden hé, mevrouw”, snerpte de voorbijgangster. De moeder keek op en wist niet goed wat te zeggen. Haar dochter had een ongeluk gehad en niets fout gedaan. Maar de vrouw van antwoord dienen, vond ze niet de juiste reactie. Niets zeggen ook niet, want zwijgen was toestemmen en dat was ook fout. En toen kwamen de tranen. Het meisje huilde. Niet alleen had de moeder een jurk schoon te maken. Haar moeder kreeg nu nog een opmerking door haar toedoen. “Goeie zet”, dacht de banaan cynisch, “je hebt het kind aan het huilen gekregen.”
De winkelbediende kwam ter plaatse en hoorde nog net de opmerking. “Heb je je geen pijn gedaan?” vroeg ze. Haar aandacht ging eerst naar het kind. “Ik had al gedacht dat ik die toren hier niet had moeten zetten”, zei ze tegen de moeder.“Maar kijk, nu weten we het zeker.”
“Kom maar mee”, zei ze tegen het kind, “we gaan die yoghurt eens uit je haar halen, niet?” Ze stopte het kind een koekje toe. De tranenvloed stopte.
De rest van de namiddag lag de banaan zich af te vragen hoe het kwam dat de winkelbediende de situatie juist had ingeschat en de voorbijgangster niet? Het zal ook aan de kromming liggen, dacht de banaan. De winkelbediende stond wat voorover gebogen en kon wellicht de gedachten opvangen van het kind. De voorbijgangster had stokstijf en misprijzend uit de hoogte toegekeken. Evident dat ze niet begreep wat er aan de hand was.
Met de komkommers is het ook altijd zo. Die liggen daar ook altijd asociaal te wezen in het rek. Geef mij maar de gezelligheid van een tros bananen, dacht de banaan en hij nestelde zich tegen zijn soortgenoot.
de kracht van ont-moetingen
Ik ontmoet haar op een zonovergoten terras in de lente. Geduldig wachtend zit ze een boek te lezen. Ik ben, zoals vaak gebeurt, te laat. Nu was het de trein uit Londen die vertraging had, maar het is eigenlijk altijd wat.
Het boek blijkt voor mij te zijn. Ik bedank voor het boek, leg het opzij, ons gesprek vangt aan. We kenden elkaar enkel via de tegenwoordige vele virtuele netwerken op het internet. We praten heel even over de gebruikelijke koeien en kalveren, over onze ervaringen in het netwerk en dan over ons werk en discreet over onze klanten. We merken dat we veel gemeenschappelijk, maar ook veel verschillend hebben.
In een uurtje tijd leer ik een hele nieuwe wereld kennen van methodes, modellen, schrijvers en adviseurs die, op hun wijze, vergelijkbare klanten met vergelijkbare problemen helpen. Ons gesprek had geen doel, behalve zomaar kennismaken in de zon. Er moest niets. En er kwam veel. Nieuwe inzichten, nieuwe ideeën, nieuwe pistes om over na te denken.
Onze ontmoeting was een les in ont-moeten. Inzicht krijgen in elkaars visie en beseffen dat wat we dachten dat moest, misschien helemaal niet moet. Ik dacht aan Naema Tahir, de schrijfster, die in een interview met MO-magazine over “ontmoetingen” zegt: “ze doen je beseffen dat het mogelijk is om op een andere manier te leven dan de jouwe, dat je niet uitverkoren bent.”
En ze heeft gelijk, denk ik dan.
Ik herinner me het TV-programma “Op gelijke voet”, waarbij een directeur of manager zich gedurende een week tussen zijn mensen gaat begeven en mee de afwas doet, mee de post bedeelt, mee de fabriekshal schoonmaakt. Dergelijke ontmoetingen brachten inzicht, waarna veel “moetens” niet meer moesten omdat ze voorbijgestreefd of ronduit fout waren. Dergelijke ontmoetingen waren zo krachtig dat ze binnen de week investeringen veroorzaakten in een nieuwe machine of in een aangepaste werkplek. Krachtiger dan welke sterkte/zwakte-analyse of investeringsplan ooit zou kunnen zijn. De ontmoetingen hadden iets ont-moetend.
Ik dacht aan de “Speaker’s Corner” die een klant organiseerde in zijn kantine voor zijn medewerkers. De “Speaker’s Corner” was een plek en moment tijdens de lunchpauze waar alle medewerkers een presentatie mochten komen geven over om het even welk onderwerp. Bedrijfsgebonden, persoonlijk, het maakte niet uit. Als het maar goed was voorbereid en maximaal twintig minuten duurde. Bedoeling was mensen meer te laten luisteren naar mekaar. Zonder meer. Het was een ont-moetingssessie. En iedereen stak er van op. Veel projecten kregen extra tips en hulp, vaak uit onverwachte hoek.
Ont-moetingen. We zouden het meer moeten doen. En het klinkt zoveel beter dan “netwerken”. Terwijl bij netwerken de klemtoon op het woordje werken ligt, zo voel je bij ont-moetingen eerder dat niets hoeft en alles kan.
