Archief voor February, 2010
21u15
“Wat ben je aan het doen?” vraag ik hem.
Ik wacht op jou, was zijn antwoord. Hij zat rechtop in zijn bed, te wachten. Rustig. Gewoon. Te wachten. Het verraste me enigszins. Hij heeft immers niet zo’n rustige natuur, zeker niet als het op zijn bed aan komt. Dan is hij zelden moe als het bedtijd is. 10 jaar. Dan is het bed altijd een landschap vol avonturen, die opduiken voor het slapen gaan.
Ik schrok ook omwille van de eerlijke onschuld van zijn antwoord. Hij was inderdaad aan het wachten op mij. Niets meer, niets minder. Geen verwijt, geen verontwaardiging, zelfs geen teleurstelling, nog niet. Het raakte me, hard en diep. Hoe vaak hoor je een volwassene zeggen dat hij wacht, zonder verontwaardiging?
We hadden om 21u afgesproken aan de rand van zijn bed. Het was immers vakantie. Dan mocht het iets later zijn. Sedert december lezen we, aan een ritme van ongeveer vier dagen per week, samen een boek. Twee hoofdstukken per avond, zo’n 15 à 20 bladzijden. 20 minuten. Ik lees voor, hij leest mee. Het is een ritueel dat zijn eigen plek heeft gekregen. In het half donker met enkel een nachtlampje op de tafel en een leeslampje naast het bed, lezen we de jeugdboekenreeks Torak en Wolf. Het verhaal, mijn stem, de nacht. De wereld van Torak komt dan tot leven. We zitten al aan het tweede boek.
Het was 21u15. Ik was te laat. Maar er was geen verwijt. Ik was te laat omdat ik deed wat volwassenen vaker doen. Voortdoen met wat ze bezig waren. Werken of nog snel het nieuws lezen, of zoals in mijn geval, mijn houtbewerkingsatelier opruimen. Ik zit er vaak de laatste tijd. En ik zit er graag. Zo graag, dat ik mijn zoon liet wachten. Ik had de keuze. Zoals we vaak de keuze hebben. Maar ik liet hem wachten. Ik had vroeger kunnen stoppen en onze afspraak respecteren. Het is een tip die ik, als adviseur in samenwerking, wel vaker geef. “Met simpele dingen toon je het meeste respect en bouw je de beste samenwerking. Door bijvoorbeeld op tijd te komen.” Ook mijn zoon lees ik wel eens de les. En hij laat het zich doorgaans welgevallen. Ik ben de leraar. Ik weet hoe het moet en dat denkt hij ook.
Maar nu las hij me de les. Ongewild en onwetend. Door te doen wat ik zo vaak vraag. Hij was op tijd. Had hij maar gezegd “was je weer aan het werken?” Of zelfs “je bent weer te laat, papa!” Maar nee, hij suggereerde niets, niet met woorden, niet met zijn stem, niet met zijn houding. Hij vertrouwde erop dat ik er ging zijn. Ook al had hij de ervaring dat ik soms wel verzonken ben in mijn eigen wereld. Hij wachtte.
De leraar en de leerling. Ik ervoer plots wat het betekende: “de leraar en de leerling bewandelen naast elkaar het pad.” Hij grijpt ’s ochtends, als we naar school stappen, nog vaak naar mijn hand. Ik dacht al die tijd dat ik hem leidde, maar misschien en wellicht is het ook omgekeerd. De kracht van eerlijke onschuld. Of mildheid. Ik hoop dat hij het niet afleert.
Over komkommers en bananen
Vanuit zijn ooghoek keek de banaan naar het kind. Het kind liep naast haar moeder, met een winkelkarretje op kinderformaat. De moeder met een kar op moederformaat. Het meisje had een vlaggetje op haar kar, de moeder niet. Jammer, dacht de banaan, de moeder zou zo’n uitbundigheidje ook wel fijn vinden op haar tocht langs de rekken. Ze las de gedachten van de moeder, want dat konden bananen. Daarom was ze ook krom. De kromming zorgde ervoor dat ze gedachtegolven kon opvangen.
Af en toe vragend, nam het kind een stukje kaas, een brikje chocolademelk, dat het telkens glunderend in haar karretje deponeerde. Ze kreeg telkens het goedkeurend knikje, dat ze zocht, van haar mama.
Haar favoriete yoghurtpotjes stonden mooi op een toren gestapeld, in promotie. Mooi maar niet kindvriendelijk, want het meisje graaide naar een set potjes die binnen haar bereik lagen, maar die tevens de basis vormden van de toren. De toren stortte in. Een oorverdovend lawaai, de yoghurt spatte in het rond.
Het meisje schrok maar vergat te huilen. De moeder schrok ook, keek om, zag de ravage. Tussen de potjes stond haar dochter, met stukjes in yoghurt geweekte passievrucht in het haar. “Oei, wat is hier gebeurd?” vroeg de moeder. Ze werd niet boos. Ze kende haar dochter. Dit was een ongeluk, onbedoeld, onvoorzien. Het meisje was te onthutst om te antwoorden.
Een voorbijgangster kwam voorbij en keek afkeurend. “Nog zo één die kinderen niet kan opvoeden”, hoorde de banaan ze denken. “Ze moeten hun handen leren thuis houden hé, mevrouw”, snerpte de voorbijgangster. De moeder keek op en wist niet goed wat te zeggen. Haar dochter had een ongeluk gehad en niets fout gedaan. Maar de vrouw van antwoord dienen, vond ze niet de juiste reactie. Niets zeggen ook niet, want zwijgen was toestemmen en dat was ook fout. En toen kwamen de tranen. Het meisje huilde. Niet alleen had de moeder een jurk schoon te maken. Haar moeder kreeg nu nog een opmerking door haar toedoen. “Goeie zet”, dacht de banaan cynisch, “je hebt het kind aan het huilen gekregen.”
De winkelbediende kwam ter plaatse en hoorde nog net de opmerking. “Heb je je geen pijn gedaan?” vroeg ze. Haar aandacht ging eerst naar het kind. “Ik had al gedacht dat ik die toren hier niet had moeten zetten”, zei ze tegen de moeder.“Maar kijk, nu weten we het zeker.”
“Kom maar mee”, zei ze tegen het kind, “we gaan die yoghurt eens uit je haar halen, niet?” Ze stopte het kind een koekje toe. De tranenvloed stopte.
De rest van de namiddag lag de banaan zich af te vragen hoe het kwam dat de winkelbediende de situatie juist had ingeschat en de voorbijgangster niet? Het zal ook aan de kromming liggen, dacht de banaan. De winkelbediende stond wat voorover gebogen en kon wellicht de gedachten opvangen van het kind. De voorbijgangster had stokstijf en misprijzend uit de hoogte toegekeken. Evident dat ze niet begreep wat er aan de hand was.
Met de komkommers is het ook altijd zo. Die liggen daar ook altijd asociaal te wezen in het rek. Geef mij maar de gezelligheid van een tros bananen, dacht de banaan en hij nestelde zich tegen zijn soortgenoot.