
Een banaan stond tegen het tuinmuurtje geleund zoals alleen bananen dat konden doen. Hij had zich krom gewerkt om tijdig het moestuintje om te spitten en klaar te maken voor het voorjaar. Van de Appel en de Peer was er nog geen teken van leven. Zelfs hun bloesems waren op dit ogenblik amper zichtbaar.
Uitgerekend hij moest staan spitten in de Vlaamse grond. Hij had een lange weg afgelegd. Met duizenden opéén gepakt in het ruim van een vrachtschip had hij de overtocht gemaakt. Hij was toen nog een groentje. Hij en zijn soortgenoten waren de zowat de eersten geweest van een hele verzameling immigrerend fruit dat zijn weg zocht naar een nieuwe wereld. Na hem waren tonnen kiwi’s gekomen, stervruchten en diets meer. Weg van die lokale markten waar ze allemaal samen op een hoop gegooid lagen te blaken in de zon. Vliegen en andere ongedierte alom. Stof en zand tussen de blaadjes van de mandarijnen. Hij had gehoord van die koele rekken in supermarkten, waar het fruit met geprogrammeerde regelmaat beneveld werd met fris water. SUPERmarkten. De naam alleen al. Dat kon alleen maar super zijn. Dit moest de fruithemel op aarde wel zijn.
Alleen, hier stond hij dan. Naast de composthoop, het kerkhof van zijn geconsumeerde vrienden. Zich uit de naad te werken om die moestuin tijdig af te krijgen. Tijdig, want dat had hij geleerd hier in het Westen. Dat er zoiets als tijd bestond. In zijn moederland had hij er geen besef van gehad. De zon ging op en de zon ging onder. Hier regeerde de tikkende klok. De cadans van het Westerse leven. Samen met zijn vrienden had hij een vooraf bepaalde tijd gerijpt. Was dan om de 37 minuten beneveld om dan binnen de 6 dagen in het rek verkocht te worden. Hij werd op de zevende dag verkocht aan halve prijs. Snelverkoop noemde men dit. Bleek dat hij minder goed in de markt lag als zijn houdbaarheidsdatum te dicht benaderd werd. En dat terwijl hij wist dat hij net het lekkerst was als hij zich voldoende had kunnen ontwikkelen. Die Westerlingen, ze begrepen het niet.