Het was zijn dag niet geweest. Het had de ganse dag pijpenstelen geregend. Twee van zijn schapen waren verwenteld. Hij was ze al enige tijd kwijt. Lang had hij gedacht dat ze gestolen waren, of verdwaald. Hoewel dat laatste niet zo vaak voorkwam. Verwentelde schapen, dat zijn schapen die op hun rug terecht zijn gekomen. Op eigen kracht kunnen ze niet terug recht komen en als ze niet geholpen worden, sterven ze. En dat waren ze ook. Gestorven.
En daar zat hij dan, in zijn kleine boerderij. Alleen tussen 200, neen 198, schapen. En het was net winter geworden. Als klap op de vuurpijl had hij deze ochtend een brief gekregen van zijn vriend Frederik. “Mijn dierbare vriend Ludwig, Het spijt me je te moeten schrijven met de melding dat ik vorige week gevlucht ben. Mijn manifest over Burgerlijke Ongehoorzaamheid is in slechte aarde gevallen bij onze koning en ik was niet meer veilig. De tijden van tolerantie zijn verdwenen. De mensen zijn bang. Het is een verschijnsel van onze tijd. We zijn rijk. En daar hoort bang zijn bij. Ik schrijf je dan ook, mijn geliefde vriend, vanuit mijn nieuw onderkomen in Walden. We zullen elkaar enige tijd niet meer kunnen zien. Hoezeer het mij bedroeft, Mijn Vriend. Ik mis je stem, je kritisch commentaar op mijn gedichten, je muziek die jij maar wat gefluit noemt. Ik stuur je een nieuw gedicht voor het nakende nieuwjaar. Om de winter mee door te komen. Het begin staat nog niet op punt. Maar misschien vind jij een betere aanhef. En wie weet, bedenk je wel een mooie melodie op die fluit van jou. Want muziek zegt toch zoveel meer dan woorden. Het ga je goed Ludwig. We zien elkaar zeker terug. Uw toegenegen, Frederik.”
Frederik was weg. Waar lag Walden? Op de achterkant van de brief vond hij een gedicht. Het begin was inderdaad niet echt inspirerend “Vreugde, schitterende Godenvonk”. Wie verzint er nu in godsnaam een Godenvonk? Wat verder “…Laat ons broeders worden”. Frederik voelde zich blijkbaar echt alleen. Zijn schapen hier hadden broeders genoeg. Die wilden wel eens alleen zijn. Hij ging nog een laatste maal de stal uitmesten. Zette de voederbak klaar voor morgen. Nam zijn panfluit, en begon te fluiten op de tekst van zijn vriend. Tussen de 198 broeders.
Plots hoorde hij voetstappen en hoefgetrappel. Een jong koppel, een beetje sjofel gekleed, kwam in de richting van zijn stal. Hij liep, zij zat op een ezel. Ze was hoogzwanger.
Verklaring van de personages in het verhaal:
Ludwig is Ludwig van Beethoven (1770- 1827). Die zich alleen voelt. Hij componeert. Had niet veel vrienden. Het liedje dat hij fluit op het gedicht van zijn vriend Frederik is de Negende Symfonie met als slotkoor Ode “An die Freude”, waarvan hij bovenop het gedicht drie beginregels zelf toevoegde:
O Freunde, nicht diese Töne!
Sondern laßt uns angenehmere anstimmen
Und freudenvollere!
Frederik is Friedrich Schiller (1759-1805), Duits toneelschrijver, dichter en filosoof. Hij streefde naar vrijheid en gelijkheid, en was soms revolutionair hierin met zijn teksten. In 1782 kreeg hij van de Hertog van Stuttgart het verbod om nog te schrijven. Hij vluchtte naar Mannheim.
De vermelde vriendschap tussen Schiller en Beethoven is een dichterlijke vrijheid.
Schiller verhuist in het verhaal naar Walden. Walden is een bos waar Henry David Thoreau (1817 – 1862) enige tijd naar verhuisde om, ver van alle luxe, maatschappij en gezag, de essentie van het leven te begrijpen. Hij schreef er zijn boek “Walden, over Burgerlijke Ongehoorzaamheid”. Daarin heft Thoreau het adagio aan dat het onze plicht is bijzonder kritisch te zijn ten opzichte van onze gezagsdragers en niet alles zomaar aan te nemen omwille van de hiërarchie. Alleen zo kunnen we de democratie vrijwaren.
Het jonge koppel dat op het einde van het verhaal onderkomen zoekt in de stal van Ludwig is welgekend. Zij leefden rond het jaar 0 v. C.