Archief voor September, 2007
De slogan
De directeur wachtte tot alle afdelingshoofden in de vergaderingzaal waren binnengekomen. Zoals altijd was het wachten op enkelen die elf uur net tien minuten te vroeg vonden. Vandaag zou de nieuwe slogan voor het komende jaar voorgesteld worden want zoals het elk modern bedrijf betaamt, ze moesten een slogan hebben. Alleen op deze wijze konden ze zich ervan verzekeren dat alle medewerkers hun neus in dezelfde richting zouden zetten. Doorgaans vergeet men dat als alle neuzen in dezelfde richting staan, men dan wel zit te staren in de nek van diegene voor je. Maar dit geheel terzijde.
Het geroezemoes bedaarde, de laatste sms werd nog beantwoord, de aandacht ging naar de directeur.
Met gepaste ceremonie onthulde hij de slogan, wat in vaktermen het “mission statement” was. Iedereen was met verstomming geslagen. Zo’n krachtige zin die compleet was en toch compact. Alle nuances zaten erin vervat en toch bleef de boodschap helder. Daarenboven bevatte de zin een visionair gehalte voor de toekomst. Voeg daarbij het schitterende grafische werk waarmee de briljante zin werd gezet en je kon niet anders zeggen dan dat dit een meesterwerk was.
Uiteraard kwam meteen de vraag wie dit mirakel had verricht. Immers, geen van de afdelingshoofden was dit jaar uitgenodigd tot de jaarlijkse brainstormsessies die hiervoor normaal worden opgezet. Sommigen hadden het aanvankelijk kwalijk genomen dat er geen tweedaags bedrijfstripje naar een conferentieoord in de Ardennen had ingezeten.
“Als ik u zeg dat deze missie werd geformuleerd met behulp van een gereputeerde Amerikaanse Goeroe van een business school, die enkele management bestsellers op zijn naam heeft, dan zullen jullie deze slogan eren als één van de tien geboden”, antwoordde de directeur.
“Als ik u zeg dat deze missie werd gemaakt door een Europese Prof, dan zouden jullie de missie degelijk en weldoordacht vinden, zonder poeha”, ging hij verder.
“Als ik u zeg dat ik deze missie zelf heb gedacht, dan zouden jullie vinden dat ik dan toch nog mijn plaats waard ben en dat de slogan niet slecht is. Als ik u zeg dat de tekst gemaakt werd door de nieuwste medewerkers van het bedrijf, dan zouden jullie met verbazing opkijken van zo’n goede toevalstreffer.”
En de directeur besloot: “Als ik u zeg dat dit het antwoord was van de poetsvrouw op mijn vraag om ons bedrijf eens in één zin te beschrijven, dan zouden jullie erom lachen.”
“vrij vertaald uit een Boeddhistische tekst, bron anoniem”
Faa-tzo-tzi-tzaam
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, mompel ik terwijl ik de motor start. We gaan op reis.
“Wat zeg je?” vraagt mijn zoon op de achterbank.
“Niets”, antwoord ik.
“Toch wel”, volhardt mijn zoon. Een jongen van acht laat zich niet zo makkelijk afschepen. “Je zei iets raar.” Tegenwoordig heeft hij grote belangstelling voor mijn doen en laten. Wellicht omdat de zomerprogrammatie van Ketnet niet boeiend genoeg is.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, zeg ik opnieuw, nu iets nadrukkelijker.
“Wat is dat?”, vraagt hij verder.
“Goh…..”
Hoe moet ik dat nu uitleggen? Hoe kan ik vertellen aan een kind van acht, dat zich de afgelopen maanden uit de naad gewerkt heeft om foutloos te schrijven, te lezen en te spreken, dat mijn gebrabbel een door mijn grootmoeder aangeleerde verbastering is van een zinnetje uit een geloof dat allang het mijne niet meer is, dat daarenboven geen enkele communicatieve waarde heeft, maar dat ik nog altijd uitspreek als we “op reis” vertrekken.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”. Het is de versnelde samentrekking van “in de naam van de vader (Faa), de zoon (tzo), de heilige geest (tzi), amen (tzaam).” Faa-tzo-tzi-tzaam.
De aarzeling in mijn uitleg en het feit dat zijn dvd net gestart is, zorgt ervoor dat ik mij niet verder suf moet denken over een uitleg. Bijna had ik gezegd dat het een toverspreuk was. Maar dat zou onterecht zijn. De Heilige Geest komt immers niet in Harry Potter voor.
Toen ik als kind op reis ging, en mijn grootmoeder reisde met ons mee, dan sloegen we met onze rechterhand altijd een kruis met de woorden “in de naam van de vader, de zoon, de heilige geest, amen”. Wellicht waren dat voor ons West-Vlamingen teveel lettergrepen. Doe daarbij nog eens de onmogelijke West-Vlaamse alliteratie Heilige Geest en je begrijpt dat wij in familiekring besloten hadden dat “Faa-tzo-tzi-tzaam” het ook wel zou doen. Mijn grootmoeder was een gelovig mens.
En een dergelijk kruisteken diende om onszelf een behouden reis toe te wensen.
Ik heb het, om het met de woorden van Willem Vermandere te zeggen, allang niet meer begrepen op die tot de tanden bewapende en marchanderende goden, maar nog steeds betrap ik mezelf erop dat ik de wonderspreuk van mijn grootmoeder gebruik. Het kruisteken sla ik allang niet meer en doorgaans zeg ik de spreuk niet meer hardop. Maar in mijn hoofd weerklinkt ze altijd.
Waarom doe ik dat dan? Is het nostalgie? Conservatisme? Een teken dat mijn ongeloof dan toch zo groot niet is als ik sta te verkondigen? Nee, het is een ritueel. Ooit was het een handeling vanuit een geloofsovertuiging, bij mijn grootmoeder. Nu is het een ritueel dat mij er nog steeds aan herinnert dat ik voorzichtig moet rijden, aandachtig moet zijn voor de anderen op de weg en beseffen dat ik verantwoordelijk ben voor al wie met me meerijdt. Daarom blijft het ritueel dan ook waardevol. Het brengt de waarden, die ik net zoals mijn grootmoeder in het vaandel draag, tot leven. Die van respect en aandacht voor anderen (en mezelf).
De vraag van mijn zoon naar een verklaring voor mijn handeling doet mij plots beseffen wat het belang van rituelen is. Een ritueel doet ons blijkbaar denken aan de kern van de zaak. Heel anders zou het zijn als ik de toverspreuk letterlijk zou nemen en iedereen in de wagen zou verplichten tot het unisono scanderen van “faa-tzo-tzi-tzaam”. Dan zou het een dogma zijn. Een Gebod. Dat doet het omgekeerde van een ritueel. Een gebod verbiedt ons te denken maar blindelings uit te voeren.
Mijn zoon zit op de achterbank met een koptelefoon te kijken naar een dvd van Shrek. Vader is tevreden. Geen jengelende kinderen aan zijn oren. Ik zie in het achteruitkijkspiegeltje dat het goed is. Om mij te sussen tijdens lange ritten gaven mijn ouders mij de vakantieboeken van “Suske en Wiske”. Ik werd er wagenziek van. Nu is het een draagbaar dvd-schermpje. Het ritueel werd behouden, de handeling is veranderd.
“Faa-tzo-tzi-tzaam”, mompel ik nogmaals. Kwestie van zeker te zijn dat Hij mij gehoord heeft.
