Ik kreeg onlangs een mail van een lezer van mijn artikels. Het doet altijd plezier een reactie te krijgen – zo ontdek je plots dat er toch iemand is die echt leest wat je schrijft. Deze reactie was toch bijzonder. Het betrof een lezersbrief afkomstig van een collega waarmee ik 15 jaar geleden heb samengewerkt. Als reactie op een artikel over inspireren, werd mij de eer toebedeeld dat ik in heel de carrière van de betrokkene een zeer inspirerende rol had gespeeld. Ook al werkten we maar een jaar echt samen.
Nu is het altijd bijzonder prettig om dergelijk compliment te krijgen, ook al is het 15 jaar na datum.Toen had ik geen flauw benul van mijn impact op de persoon. En misschien gelukkig maar. Ik herinnerde me plots de hele periode waarin we hadden samenwerkt. Het was mijn eerste “managersjob”. Ik had 2 jaar ervaring en kreeg de kans een afdeling te leiden. Niet gehinderd door enige echte managerskennis heb ik toen de meest waanzinnige initiatieven genomen. Zo had ik op een nacht heel onze afdeling vol posters gehangen met daarop “zelfcontrole”, in een poging om het kwaliteitsbewustzijn van mijn afdeling te verhogen. Dat ik daarmee een belerend vingertje opstak ter grootte van de Eifeltoren, had ik helemaal niet door. Twee dagen later waren mijn posters dan ook afgerukt door mijn beledigde collega’s. Of toen ik, als reactie op de onbruikbare bedrijfssoftware om klantenklachten bij te houden, besloot om mijn afdeling te laten werken met papieren steekkaarten en houten bakjes. Onze afdeling stond binnen de kortste keren vol met houten databases. En het werkte nog ook…maar ook daar moest ik bakzeil halen en mij plooien naar de normen van het bedrijf. En uiteindelijk, toen ik na weer een reorganisatie mijn afdeling gesloopt zag, en ik als volleerd kraker mijn afdeling bezette en me “niet liet uitdrijven”, mocht ik de eer aan mezelf houden en een nieuw speelterrein zoeken voor mijn managersambities “extra muros”. Op een ander, zeg maar.
En met dergelijke stommiteiten had ik dus een collega geïnspireerd. Toegegeven, soms deden we dingen die echt wel werkten. Van de vele regels die we overtraden, werd er heel af en toe wel eentje afgeschaft omdat ons anarchisme zijn waarde had bewezen. Maar het blijft voor mij een raadsel wat het geheim van de inspiratie dan wel was.
Misschien was het enige dat echt anders was toen dat ik alles “vanuit de buik” deed. Geen poses, niet gokkend op een volgende hogere functie, gewoon doen omdat ik dacht dat het nodig was en zou helpen. Authentieker kon ik toen niet zijn.
Later werd ik op cursus gestuurd waar mij echte managerskennis werd ingelepeld en sindsdien is het nooit meer goed gekomen. Ik deed teveel moeite om het goed te doen, om een objectief te bereiken. Ik was teveel bezig met het doel en te weinig met de reis. Alles werd gepland en vooraf afgewogen. Weinig spontaniteit.
Toen ik deze tekst begon te schrijven hoorde ik op de achtergrond The Scene. “Rigoureus”, klonk het door de stereo, “Rigoureus en onverwacht. Maar altijd uit het hart.”
Dat is het denk ik nu. Rigoureus, onverwacht en uit het hart handelen. Al die managementkennis, samengevat in één liedje van Thé Lau van amper vier minuten. Zoals Thé Lau me nu inspireert, zo betekende ik misschien iets voor mijn collega.
Met dank aan mijn collega die mij na 15 jaar de ogen hielp open doen.